Positie Europarlement heikel onderwerp in discussie EMU

DEN HAAG, 28 OKT. Het snelkookproces om tot een gemeenschappelijke munt in een meerderheid van EG-landen te komen, bereikt vandaag zijn voorlopige hoogtepunt met de presentatie van het ontwerpverdrag voor de economische en monetaire unie (EMU). Als halfjaarlijkse voorzitter van de Europese Gemeenschap zal minister Kok (financiën) het ontwerpverdrag vanavond in Den Haag bekend maken.

Hoewel de twaalf EG-landen op brede lijnen overeeneenstemming hebben bereikt over het doel en de inhoud van de EMU, zullen ze de komende zes weken nog intensief over knelpunten onderhandelen. Pas op de Europese top in Maastricht, begin december, zal het EMU-verdrag formeel worden afgerond in samenhang met het verdrag voor de Europese politieke unie (EPU).

Het EMU-voorstel van het Nederlandse voorzitterschap probeert tussen de politiek gevoelige klippen van de monetaire en economische eenwording heen te laveren zonder zoveel concessies te doen dat het hele voorstel zou verwateren. Daarbij moet Nederland rekening houden met de Duitse eis dat de toekomstige ecu even goed zal zijn als de D-mark en dat de toekomstige Europese centrale bank met dezelfde politieke onafhankelijkheid als de Bundesbank zijn absolute prioriteit van prijsstabiliteit kan maken. Tegelijk moet worden voldaan aan de Britse eis dat het parlement in Westminster het laatste woord zal houden bij de toetreding van Groot-Brittannië tot de slotfase van de EMU.

De overgang naar één munt zal leiden tot een tweedeling in de EG - sommige landen zijn klaar voor één monetair en economisch beleid, andere landen wijken zoveel af wat betreft inflatie, rentestand of begrotingstekort dat toetreding tot de sotfase van de EMU is uitgesloten.

De zuidelijke EG-landen, Italië voorop, eisen een politieke flexibiliteit in het EMU-verdrag waardoor ze, ook bij een onvermijdelijke tweedeling, toch blijven meedoen door de toekenning van een tijdelijke ontheffing. Nederland zelf wenst op bepaalde punten samenwerking met het Europese parlement om een zekere democratische controle op het gemeenschappelijke economische beleid mogelijk te maken.

Wat dit laatste punt betreft accepteert Nederland als voorzitter de wens van de meerderheid van de EG-landen om het Europarlement bij onderwerpen van wetgevende aard slechts te raadplegen . Maar minister Kok zegde vorige week in Straatsburg de Europarlementariërs toe zich sterk te zullen maken voor een zo groot mogelijke samenwerking met het Europese parlement en hij zal naar verwachting de overige landen verzoeken hun standpunt op dit punt nog eens in overweging te nemen. Dit onderdeel van het EMU-verdrag, dat directe raakvlakken heeft met de onderhandelingen over de positie van het Europarlement in het kader van het omstreden EPU-verdrag, zal ongetwijfeld nog tot scherpe Europese discussies leiden.

De "Britse kwestie' lijkt inmiddels naar tevredenheid te zijn opgelost. De Engelse kranten meldden dit weekeinde dat de Britse regering instemt met een ingenieuze formule, waarbij een "uitzonderingsstatus' voor landen wordt toegestaan. De uitzonderingsclausule zal inhouden dat de EG-raad van ministers van financiën geen enkel land kan dwingen om deel te nemen aan de slotfase van de EMU. Hierdoor kan Groot-Brittannië buiten de overstap naar één munt en één centrale bank blijven, tenzij Westminster anders beslist.

Ter voorkoming dat andere landen - lees: Duitsland - in 1996 of 1997 van deze uitwijkclausule gebruik maken, zal naar verwachting een aparte verklaring aan het ontwerpverdrag worden toegevoegd, waarin plechtig wordt vastgelegd dat het streven is om te komen tot een economische en monetaire unie. Als deze verkaring, die geen bindende verdragswaarde heeft, door alle EG-landen met uitzondering van Groot-Brittannië onderschreven wordt, is het doel bereikt.

Een ander probleem van scheiding der geesten doet zich voor bij de landen die het einddoel van de EMU wel onderschrijven, maar die niet aan de gestelde economische en monetaire criteria voldoen. Voor deze landen is afgesproken dat ze een "ontheffingsstatus' krijgen, zonder volledig te worden buitengesloten. Ze zullen bijvoorbeeld wel lid worden van de toekomstige Europese centrale bank (ECB), zonder daarin evenwel stemrecht te hebben.

Vandaag vergaderen in Bazel de twaalf presidenten van de centrale banken over de statuten voor het Europese monetaire instituut (EMI) dat in de overgangsfase tussen 1994 en de oprichting van de ECB het monetaire beleid zal coördineren en de uiteindeijke monetaire unie zal voorbereiden. Eén van de gevoeligste punten, aldus monetaire deskundigen, is de vraag welke positie centrale bankpresidenten van landen die niet deelnemen aan de slotfase van EMU, in de toekmstige ECB zullen krijgen.

Vooral Duitsland, dat de meest onafhankelijke centrale bank van alle EG-landen heeft, ziet er niets in dat vertegenwoordigers van landen die te zwak zijn om in het stelsel van één Europese munt deel te nemen, wél aanwezig zouden zijn als monetaire beslissingen genomen worden in de toekomstige Europese bankraad waarin de nationale centrale bankpresidenten zitting hebben. Gezocht wordt nu naar een mogelijkheid om tot verschillende niveaus van beraad binnen de ECB te komen, waarbij de splitsing tussen landen die wel en niet meedoen aan de slotfase van de EMU ook fysiek zijn beslag krijgt.

In de overgangsperiode naar één munt wil Nederland voorstellen om de bestaande ecu, waarvan de waarde bepaald wordt door een gewogen gemiddelde van de deelnemende valuta, tussen 1994 en de slotfase van de EMU te bevriezen. Duitsland en Groot-Brittannië zijn voorstanders van een zogenoemde "harde ecu', waarbij de ecu altijd harder zou moeten zijn dan de best presterende EG-munt. Bevriezing heeft de voorkeur van de financiële markten omdat de samensteling van de ecu hierdoor niet meer verandert. In de praktijk betekent het dat de ecu in koers zal toenemen ten opzichte van de zwakke valuta en iets zal verzwakken ten opzichte van de sterkste munten. Na 1997, als de Europese Raad van regeringsleiders op voorspraak van de centrale bankpresidenten en ministers van financiën het groene licht voor de slotfase van de EMU gegeven hebben, zal de "bevroren ecu' overgaan in de gemeenschappelijke munt.

Ruim voor die tijd zullen twee opengelaten artikelen in het EMU-verdrag ingevuld moeten zijn. Die hebben betrekking op de verdeling van het kapitaal in de toekomstige Europese centrale bank en op de vestigingsplaats van de ECB. Amsterdam is daarvoor kandidaat, evenals een keur aan andere EG-steden. Op zijn vroegst zal op de top in Maastricht bekend worden of de Nederlandse kandidatuur voor de ECB slaagt.