Huis van schilder Ary Scheffer in Parijs gereconstrueerd; Portretten en curiositeiten

Tentoonstelling: L'Atelier d'Ary Scheffer, tot 5 jan. 1992 in Musée de la Vie Romantique, 16 Rue Chaptal, 75009 Paris, open di. t-m za. 10-17.30u.

De Parijse Rue Chaptal, die uitloopt op de Place Blanche waar eens de Moulin Rouge draaide, maakt nu een wat verwaarloosde indruk. De gerenommeerde kunsthandel van Goupil en Co, waar Vincent van Goghs broer Theo eind vorige eeuw moderne kunst aan de man bracht, is nu een rommelwinkel met ongewassen ruiten en stoffige oude meubels. Daar schuin tegenover ligt echter voor de nostalgische wandelaar een verrassing: een woonhuis van de destijds zeer beroemde, van oorsprong Dordrechtse schilder Ary Scheffer (1795-1858).

La maison d'Ary Scheffer, zoals het in de volksmond heet, voert sinds 1987 als Musée de la Vie Romantique een aktief beleid op het gebied van de negentiende-eeuwse kunst en legt daarbij vooral de nadruk op de relaties tussen de verschillende kunstvormen en het kunstleven in het algemeen. Zo was er deze winter een aardige tentoonstelling rond de dichter-politicus Lamartine, die een doorsnee gaf van de Franse negentiende-eeuwse literatuur, beeldende kunst en politiek, waar je van duizelt als bewoner van een klein landje, zelfs al telt dat relatief veel kunstenaars. Lamartine kwam al sinds zijn jeugd over de vloer bij grootheden als Ingres, Scheffer, Victor Hugo, Delacroix, Alfred de Musset. En de uiterst lyrische en persoonlijke gedichtencyclus Méditations poétiques waarmee Lamartine in 1820 uiting gaf aan zijn natuurgevoel, liefdesverdriet en geloofscrisis inspireerde jonge kunstenaars als Alexandre Calame, Paul Huet en Théodore Gudin tot een hele nieuwe visie op de landschapschilderkunst.

Dit kleine, veelzijdige museum heeft nu het interieur gereconstrueerd van het atelier van de eerste bewoner van het huis, Ary Scheffer. Dit gebeurde op basis van een schilderij van de Dordtenaar A.J. Lamme (een neef van Scheffer), geschilderd in 1851, een jaar voordat Lamme directeur werd van het Rotterdamse Museum Boymans. Scheffer zelf die in een fluwelen jas met een klein penseeltje aan de rode draperie op L'Amour Divin, l'Amour Terrestre zit te schilderen is op dit doek minder belangrijk dan zijn creaties waarmee hij is omringd. Maar zelfs zonder de meester zelf, zijn hond en zijn schrijvende echtgenote op de achtergrond, is de huidige enscenering in het atelier overtuigend. Tussen de gipsmodellen zie je portretten van zijn familie, inclusief het grafmonument van Scheffers moeder. En ook al had het Louvre het doek op de grootste ezel, La Tentation du Christ, toevallig in restauratie, je ruikt er om zo te zeggen toch de verf van. Het is goed voor te stellen dat Scheffer in zo'n keurig, bijna burgerlijk atelier dat totaal geen bohémiensfeer uitstraalde, koninklijke hoogheden ontving, waaronder Louis Philippe, de latere koningin van België en haar zusje, Scheffers geliefde leerlinge Marie d'Orléans.

De nalatenschap van Scheffer heeft een overzichtelijke geschiedenis die bijna als vanzelf uitgroeide tot een museum van de romantiek. Na Scheffers dood bewoonde zijn dochter Cornélie en haar man dokter Marjolin, die arts was van keizerin Eugénie, het huis. In 1899 legateerde zij roerend en onroerend goed aan haar nicht Noémie, dochter van de schrijver Ernest Renan, waarna een van Noémies dochters alles in 1985 aan de Franse staat overdeed. Aanvankelijk als dependance van het Musée Carnavalet en nu als zelfstandig museum bevat het serieuze curiositeiten als partituren die Rossini cadeau deed aan Cornelia Scheffer, de portefeuille van Lafayette en een kamer vol werk van bovengenoemde Marie d'Orléans. De kunstwerken die bij de dood van Scheffer in het atelier waren achtergebleven gingen naar de oudheidkundige collectie van de geboortestad van de schilder. De huidige beheerder, het Dordrechts Museum, leende een groot deel hiervan nu weer terug naar Parijs.

Het atelier van Scheffer laat zien hoe zinvol het is om schildershuizen uit de vorige eeuw, en niet alleen de kunst maar ook de wonderbaarlijke inboedels, te koesteren. Want er komt een tijd dat zoiets nergens meer te vinden is. Het wachten is nu - in Nederland - op de herinrichting van het woonhuis van H.W. Mesdag in Den Haag, gelegen naast diens bijna opgeheven museum, dat al een museum was vóór de schilder stierf.

    • Saskia de Bodt