Het volk selecteert een schansspringer

Gevoel voor originaliteit kan Gert-Jan Konijnenberg niet worden ontzegd.

Hij is de enige schansspringer van Nederland, heeft even overwogen om voor een land, de Nederlandse Antillen, uit de komen waar nog nooit één sneeuwvlok is gevallen en liet deze maand het NIPO een enquête onder het volk verrichten met de vraag of de mensen hem volgend jaar op de Olympische Spelen in Albertville in actie willen zien of niet. Dat onderzoek pakte positief voor Konijnenberg uit en bovendien leverde het hem een enorme golf aan publiciteit op. Sinds verscheidene dagbladen afgelopen zaterdag over de enquête van Konijnenberg meldden stond zijn telefoon aan de Statenlaan in Den Haag roodgloeiend. “Het is waanzinnig, televisie, radio, kranten”, zegt de schansspringer. “Je moet bijna managerskwaliteiten te hebben om dit allemaal te weerstaan.” Vanmiddag gaf Konijnenberg een persconferentie in een restaurant van een vriend.

Publiciteit is natuurlijk mooi meegenomen, maar het is Konijnenberg allemaal om uitzending naar Albertville te doen. Hij vindt het onterecht dat het Nederlands Olympische Comité bij de eis blijft dat hij een reële kans moet maken om straks bij de eerste acht te eindigen. “Dat is voor een Nederlandse schansspringer natuurlijk niet haalbaar”, aldus Konijnenberg. Zijn eigen bond, de Nederlandse Ski Vereniging, wil hem wel sturen. Die bepaalde haar eigen Olympische limiet, een sprong van 97 meter. Inmiddels landde Konijnenberg al een paar keer verder. “En dat was niet makkelijk, hoor.” De Nederlandse waaghals schermt ook met een Olympische aanbeveling van de FIS, de internationale skifederatie, en van de Fransen kreeg hij bovendien de eervolle uitnodiging om straks, evenals vier jaar geleden in Calgary, als voorspringer in Albertville te fungeren.

En nu wil ook het Nederlandse volk nog dat Konijnenberg aan de Winterspelen van '92 meedoet. Althans, dat is het resultaat van de NIPO-enquête onder ruim 900 burgers van 18 jaar en ouder. Vierenvijftig procent van de ondervraagden is voor een Olympische uitzending van de schansspringer, achtendertig procent had geen mening en acht procent was tegen. “Maar bij het NIPO hebben ze me verteld dat je alleen naar de verhouding tussen de voor- en tegenstanders moet kijken. En dan blijkt dat 87 procent van de mensen die een mening hebben voor blijkt te zijn. Dat is gewoon heel veel. Overduidelijk.” Konijnenberg hoopt met deze gegevens in de hand het NOC zijn zaak alsnog wil heroverwegen. “Met zo veel steun kan men toch nooit een modderfiguur meer slaan als ze mij naar Albertville sturen.”

Gerrit Jan Konijnenberg is ook nog “via-via” aan het Olympisch handboek van het IOC gekomen. Dat heeft hij helemaal doorgelezen en kwam een alinea tegen waarin werd gesteld dat uitzending van een sporter niet alleen afhankelijk van zijn prestaties moet zijn, maar dat er ook moet worden gekeken of iemand in zijn land een voorbeeldfunctie heeft. En dat, vindt Konijnenberg, is wel degelijk op hem van toepassing. “Ik blijk de mensen toch aan te spreken en ik leid ook jongens op.”

Zijn ambities kosten Konijnenberg veel tijd en geld. Gelukkig liet het NIPO, dat die ambitieuze sportman wel wilde helpen, hem het gebruikelijke inschrijfgeld van 6000 gulden niet betalen. Nu is hij voor de enquête maar een paar duizend gulden kwijt. Maar Konijnenberg liet vandaag ook nog zijn trainer, Odillo dell Casto, naar Nederland overkomen om hem de verzamelde pers te laten vertellen dat hij het ook onzin vindt dat zijn pupil niet Olympisch mag springen. Hoe hij nou precies op het idee is gekomen om een enquête weet Konijnenberg eigenlijk niet. “Het is hetzelfde als er mensen mij vragen waarom ik schansspringer ben geworden. Daar kan ik ook geen duidelijk antwoord op geven. Het kwam gewoon in mij op.”

    • Hans Klippus