De CDA-fractie in de Eerste Kamer; Senaat is niet langer hoeder van het "politieke pianissimo'

Het gedrag van de CDA-fractie in de Eerste Kamer lijkt steeds meer op dat van een rebellenclub. De geruchtmakende uitspraken van fractie-voorzitter A.J. Kaland over zijn partijgenoten in de Tweede Kamer ("stemvee') en de discussie over het plan-Simons ("principieel genoeg voor een kabinetscrisis') vormen voorlopig de climax in een reeks aanvaringen met bewindslieden en Tweede Kamer de afgelopen jaren. De hoogleraren, bestuurders en vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven in de CDA-fractie vinden intussen dat ze niet meer doen dan gewoon hun werk.

“De onderlinge waardering staat er op de voorgrond; de politieke tegenstellingen zijn er veel minder scherp getekend dan aan de overzijde van het Binnenhof. Daardoor gaat er van de Eerste Kamer een verzoenende invloed uit op ons politieke volksleven als geheel, die psychologisch van de grootste waarde is.”

Verzoening, bedachtzaamheid en terughoudendheid. In die termen beschreef prof.mr. A. Anema, lid van de Eerste Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij, het leven aan Binnenhof 21-23 te Den Haag anno 1954. Een regering die die waarden in de waagschaal stelde, bijvoorbeeld door te proberen een wetsontwerp door de Kamer te jagen, diende hij welbespraakt van repliek. “Er bestaat een piano-sonate van Schumann”, zei hij eens bij een dergelijke gelegenheid, “waarvoor het tempo van het laatste deel aldus wordt aangegeven: so schnell wie möglich. En even verder staat: noch schneller. Ik heb nooit begrepen hoe dit moest worden uitgevoerd, maar metterdaad is het de regering gelukt dit te verwezenlijken op het gebied van de behandeling van ontwerpen van wet.”

Ondanks dergelijke irritaties verwierp de senaat in de jaren vijftig slechts driemaal een wetsvoorstel. Sinds 1980 zijn dat er zestien geworden. De huidige CDA-fractie in de Eerste Kamer, waarin de politieke erfgenamen van Anema zitting hebben, staat al lang niet meer bekend als de hoedster van het politieke pianissimo. Vooral in de huidige kabinetsperiode is de fractie befaamd geworden om haar "kamikaze-techniek': al twee maal waren de CDA-senatoren zo vasthoudend in hun verzet tegen politiek gevoelige wetsontwerpen dat alleen een dreigend aftreden van het kabinet hen te elfder ure deed zwichten.

Hoe ver de fractie de komende weken zal gaan in haar verzet tegen het plan van Simons met de gezondheidszorg is nog niet duidelijk, maar fractievoorzitter A.J. Kaland heeft onlangs al te kennen gegeven dat het plan een kabinetscrisis waard kan zijn. De orangist Gijsbert Karel van Hogendorp voorspelde het al bij de oprichting van de Eerste Kamer in 1815: de handelwijze van dit huis van voornamelijk Zuid-Nederlandse edelen zou wel eens onverenigbaar kunnen worden met “energicq gouvernement”, zo vreesde hij. Premier Lubbers zei het Van Hogendorp dit weekeinde in Trouw na. Naar aanleiding van de discussie over het plan-Simons zei Lubbers: “Je kunt niet vrijblijvend marchanderen over de vraag of je een wetsontwerp wel of niet zult behandelen. (...) Daarmee voed je het idee dat je iets liever niet wilt en daarmee ben je er ook verantwoordelijk voor dat bepaalde dingen niet gebeuren.”

Vormen de 27 senatoren van het CDA dan een rebellenclub die het huis van verzoening en bedachtzaamheid tot een kopie hebben gemaakt van de haastige, conflictueuze buitenwereld? Voormalig senator voor de ARP dr. I.A. Diepenhorst wil niet zover gaan, maar zegt “wel grote zorgen” te hebben. Uitspraken van Kaland over de Tweede Kamer als "stemvee' en diens dreigen met een kabinetscrisis, geven de emeritus-hoogleraar aan de Vrije Universiteit “de indruk dat de Eerste Kamer niet helemaal meer haar rol beseft. De indruk ontstaat dat ze voor Tweede Kamer wil spelen, en dat kan niet. Losse uitingen zijn prachtig. Plaats voor begaafde zonderlingen moet er zijn. Maar er wordt nu soms op ruwe wijze door het staatsrecht heen gedanst.”

De fractie denkt daar geheel anders over. CDA-Eerste-Kamerlid en hoogleraar staatsrecht mr.dr. A. Postma - een van de motoren achter het nieuwe activisme - meent juist dat de senaat zich moet opstellen als een volwaardig onderdeel van de volksvertegenwoordiging “die het belang van de bevolking tegen de regering verdedigt”. Postma heeft een eenvoudige verklaring voor de moderne vastberadenheid. “Het is voor de bevolking moeilijk te begrijpen als wij onze bezwaren vroegtijdig inslikken omdat we bang zouden zijn om een publieke nederlaag te lijden.”

Ook minder bekende fractieleden als mr. I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam werpen het verwijt van detaillistische, oneigenlijke bemoeizucht verre van zich. De Haagse rechter meent dat hiermee de senaat niet de Tweede Kamer imiteert, maar juist een van haar belangrijke taken waarmaakt, het bevorderen van rechtszekerheid: “Als wij op details ingaan is dat om een grotere duidelijkheid van de wetstekst mogelijk te maken. Wij stellen interpretatiekwesties aan de orde, waardoor later de rechter in een concreet geval kan zien hoe volgens de wetgever de wet moet worden geïnterpreteerd.”

De CDA-fractieleden geven duidelijk te kennen dat, als er al van een actievere opstelling sprake is, de buitenwereld hen daartoe heeft gedwongen. Postma verwijst in dit verband vooral naar de opkomst van het fenomeen regeerakkoord. In deze krant zei hij daar eerder over dat de Tweede Kamer zichzelf op die manier “verlamt”. “Wat is het regeerakkoord anders dan een afspraak tussen potentiële ministers en staatssecretarissen? Bovendien staat na een of twee jaar de dollar hoger of lager en dan worden de rollen omgekeerd.” Doordat de Eerste-Kamerfractie alleen aan dat regeerakkoord is gebonden voor zover het door het verkiezingsprogramma wordt gedekt, komen de verschillen meer naar voren, aldus Postma.

Ook CDA-partijvoorzitter en senator W. van Velzen meent dat de Eerste Kamer alleen gebonden is aan het partijprogramma, niet aan het regeerakkoord. Hij meent verder dat “onze criteria van beoordeling dezelfde zijn gebleven, maar de maatschappelijke werkelijkheid ingewikkelder is geworden. Dat geeft steeds vaker problemen met de uitvoerbaarheid van wetgeving.” Bovendien maakt volgens Van Velzen de veelvuldige amendering van wetsontwerpen door de Tweede Kamer een hernieuwde behandeling in de senaat noodzakelijk om de reacties uit de samenleving op het herziene wetsvoorstel weer te kunnen behandelen.

Volgens CDA-senator I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam is die tweede ronde des te meer nodig omdat het er volgens haar op lijkt dat “veel belanghebbenden zich pas bij aanname in de Tweede Kamer realiseren dat een wet er nu echt aan zit te komen en dan pas actie gaan ondernemen”.

CDA-senator en voormalig minister van binnenlandse zaken C. Van Dijk ziet net als Postma de oorzaak van het "activisme' vooral bij de overburen liggen. “Door nood gedwongen moet de Eerste Kamer zich actiever opstellen. Ik heb wel eens de indruk dat er door de haast en de druk die er in de Tweede Kamer achter zit meer fouten worden gemaakt dan voorheen.” Legendarisch zijn in dit verband de 76 wetstechnische fouten die de Eerste Kamer ontdekte in de gemeentewet gemeenschappelijke regelingen van de toenmalige minister Rietkerk.

Buiten de fractie ziet men echter ook andere oorzaken van het weinig volgzame optreden van de CDA-fractie. D66-fractievoorzitter mr.dr. J.J. Vis deelt de analyse van Postma over het regeerakkoord, maar zegt ook dat de CDA-fractie de bocht naar de nieuwe coalitie met de PvdA nog steeds niet heeft gemaakt. “Iedereen heeft kunnen zien dat het stemgedrag van het CDA meer dat van de VVD is dan dat van de PvdA.”

De CDA-fractie voelt zich in de dwarse houding gesterkt doordat de samenstelling van de dit jaar herkozen Eerste Kamer op dit moment dichter bij de opiniepeilingen ligt, dan die van de Tweede Kamer, aldus Vis. “Als Eerste Kamerleden zouden zeggen - wat ze niet vaak doen, maar wel vaak denken - "Wij zijn actueler dan de Tweede Kamer, onze democratische legitimatie is sterker', dan geef ik ze daarin geen ongelijk.”

Toen vorige week de CDA-Statenfractie in Flevoland naar aanleiding van de uitlatingen van fractie-voorzitter Kaland een gesprek met de senaatsfractie aanvroeg op grond van het feit dat de Staten de Eerste Kamer kiezen, ontzegde Van Velzen hun die status: “We gaan wel met hen praten, maar dat zijn uiteindelijk niet onze kiezers. De mensen in het stemhokje, dat zijn onze kiezers!”

Oud-ARP-senator Diepenhorst reageert als door een wesp gestoken op dergelijke opvattingen. “Een Eerste Kamer behoort niet actueel, maar zéér, zéér deskundig te zijn”, bast hij. Bovendien vindt hij de redenering over de betere democratische legitimatie nauwelijks opgaan gezien de indirecte verkiezing van de Eerste Kamer en het lage opkomstpercentage bij de provinciale statenverkiezingen. De uitslag hiervan bepaalt de samenstelling van de Eerste Kamer.

Een aanvullende verklaring voor het nieuwe activisme ligt in de maatschappelijke herkomst van de Eerste-Kamerleden. CDA-fractievoorzitter Kaland wees op het feit dat deze dichter bij het maatschappelijk leven staat dan de beroepspolitici van de Tweede Kamer. De laatsten krijgen alleen maar lobby-groeperingen aan de deur waarvan soms onduidelijk is wie ze vertegenwoordigen. De leden van de Eerste Kamer oefenen naast het parlementair werk ook nog een beroep uit en komen daarin niet uitsluitend belangenbehartigers tegen.

De CDA-fractieleden in de Eerste Kamer hebben wisselende maatschappelijke achtergronden, in onder andere wetenschap en bedrijfsleven. De fractie telt een aantal hoogleraren (Boorsma, Postma, Steenkamp, Kuiper), vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven (Van Leeuwen, Rongen) een oud-deken van de advocatuur (Glasz), een fiscaal jurist (Stevens) en een rechter (Michiels van Kessenich-Hoogendam). De in juni in de senaat aangetreden Bot van Gijzen bekleedt vele (vrijwilligers)functies in het maatschappelijk "middenveld': onderwijs, kerkelijk werk. Daarnaast telt de fractie sinds juni drie voormalige bewindslieden uit CDA-VVD kabinetten: C.P. van Dijk, V.N.M. Korte van Hemel en G. Braks.

“De variatie in maatschappelijke achtergronden is over het algemeen groter dan in de Tweede Kamer”, zegt dr. J.Th. van den Berg, hoogleraar parlementaire geschiedenis in Leiden. Hij was bijna zelf senaatslid voor de PvdA, maar moest plaatsmaken voor de huidige Eerste-Kamervoorzitter Tjeenk Willink. Van den Berg deed onderzoek naar de achtergronden van Kamerleden. “Het modale Tweede-Kamerlid heeft een ambtelijke achtergrond (veertig procent is afkomstig uit de ambtelijke sfeer, red.), zit midden in zijn carrière en is maatschappelijk dus nog niet zo diep geworteld.” Deze “zwakte in de recrutering” versterkt volgens Van den Berg gemakkelijk het gevoel bij Eerste-Kamerleden dat zij beter weten wat er bij het volk leeft dan hun overburen van de Tweede Kamer.

Ook Van Velzen vindt dat de maatschappelijke achtergrond het praktisch inzicht in de (on)werkzaamheid van de Haagse wetten vergroot. Hij zegt daarom samen met fractievoorzitter Brinkman een groei in het aantal nevenfuncties in de Tweede-Kamerfractie te stimuleren. “De politiek moet weer politieker worden, politici moeten meer op hoofdlijnen vergaderen. Door alle commissievergaderingen en overleggen in de Tweede Kamer valt het zicht weg waar het werkelijk om gaat.”

Maar de combinatie met hun beroepsleven in de Eerste Kamer biedt behalve voordelen ook gevaren. Al te grote maatschappelijke betrokkenheid kan leiden tot een ongewenste belangenverstrengeling. Zo zal het fractielid Van Leeuwen, lid van de raad van bestuur van de ziektekostenverzekeraar Stad Rotterdam, de discussie met staatssecretaris Simons met meer dan gewone belangstelling volgen.

Van den Berg ziet echter geen gevaar. “Hoe meer belangenverstrengeling, hoe beter. Dat vergroot de kennis in de fractie over de belangen die in zo'n discussie een rol spelen, ze raakt meer op de hoogte van de argumenten, van het opschroeven van eisen. De diversiteit aan maatschappelijke achtergronden van de andere leden neutraliseert de mogelijke negatieve kanten vanzelf wel.” Wel voegt Van den Berg daar onmiddellijk aan toe dat de betrokken persoon, in dit geval Van Leeuwen, niet het woord namens zijn fractie tegenover de regering moet voeren. “Anders zou zo'n vertegenwoordiger toch te groot overwicht krijgen.” Van Leeuwen is geen lid van de senaatscommissie voor Welzijn en Volksgezondheid.

De introductie van de drie voormalige bewindslieden, en het door de wol geverfde oud-Tweede-Kamerlid H. Eversdijk had volgens Van den Berg tot doel de fractie politiek volwassener te maken, “iets waarin ze gezien de recente ontwikkelingen nog niet echt in zijn geslaagd”. Van den Berg: “De partijleiding van het CDA vond dat er wel aardige en deskundige leden in de Eerste-Kamerfractie zaten, maar het waren geen mensen die de politieke finesses in de vingers hadden: hoe en wanneer je een kabinetscrisis maakt bijvoorbeeld. Iemand als Boorsma is zeer deskundig, heeft altijd iets verrassends op wetenschappelijke symposia. Maar in de Eerste Kamer is hij een ongeleid projectiel.”

De vraag rest hoe ver het nieuwe politieke activisme van de CDA-fractie reikt. Zal de als rechtlijnige CHU'er bekend staande Kaland zijn dreigement waarmaken en, voor het eerst sinds de vorige eeuw, het aftreden van een kabinet veroorzaken? In de statige koffiekamer van de senaat wordt inmiddels door leden van andere senaatsfracties weer geamuseerd gesproken over “het toneelstukje”, dat kabinet en CDA-fractie al enkele malen eerder opvoerden: wel flink protesteren maar uiteindelijk toch weer door de knieën gaan.

De fractieleden van het CDA willen niet speculeren over de afloop van de discussie met staatssecretaris Simons. Wel zijn ze diep overtuigd van de politieke waarde van hun eigenzinnigheid. Postma: “Als de fractie moet wijken voor het machtswoord van de regering, dan is tenminste duidelijk geworden dat de regering het niet in de dialoog heeft kunnen winnen. En je weet van tevoren niet hoe het afloopt. Evengoed kan de regering door de bocht gaan, zoals in 1990, met het voorlaatste wetsvoorstel inzake het huurwaardeforfait, dat toen werd ingetrokken.”

    • Hendrik Spiering
    • Kees Versteegh