Uiteindelijk kies je eieren voor je geld. Dan word je knecht. Zombie; "Ploegleiders weten niet welke instrumenten ze in hun handen hebben'; "Sponsors schrikken van de geur van doping en ploeterende Flandriens'

De 33-jarige MAARTEN DUCROT heeft een punt achter zijn wielerloopbaan gezet. Hij werd beschouwd als een buitenbeentje. Niet alleen door zijn studie psychologie, maar ook zijn door zijn eigenzinnige uitleg van het vak wielrenner. Over de geur van doping, ploeterende Flandriens en het gebrek aan wederzijds respect.

Om alle misverstanden te voorkomen. Hij voelt zich uitstekend. Opgelucht. Van verdriet is geen sprake. Heel even maar heeft hij het moeilijk gehad. Een week geleden reed hij zijn laatste wedstrijd. Voor de laatste keer zette hij zijn helm af, voor de laatste keer plukte hij het rugnummer van zijn shirt. Een kort moment van emotie. Mooie herinneringen. Maar spijt, nee. Maarten Ducrot wil niet langer als marionet fungeren. De touwtjes heeft hij doorgeknipt. Hij was “een zombie” geworden. Een wielrenner die achterom kijkt en merkt dat hij alle zelfrespect heeft verloren.

Een maand geleden zei ploegleider Cees Priem nog tegen hem: “Als je een maand doet wat ik zeg, dan ben je weer coureur.” Maar Ducrot weigert zich nog langer uit te leveren - voor zover hij dat ooit heeft gedaan. Zoals Toine Poels, de renner die eerst door zijn ploegleider Raas wordt afgevoerd omdat er geen geld meer is en uiteindelijk toch nog een contractje krijgt. “Dat is toch een zombie.”

Het besluit om een punt achter zijn carrière te zetten is niet van de ene op de andere dag gekomen. Het was een proces van een paar jaar dat het afgelopen seizoen werd versneld door een paar verhelderende ervaringen. Hij schrok wakker uit een soort roes waarin hij zich had laten wegzakken. Het systeem dat in het beroepswielrennen wordt gehanteerd geeft niet de ruimte tot eigen initiatief. Je bent onderworpen aan het "moetisme', een begrip dat hij uit zijn nieuwe werkkring als organisatie-adviseur heeft opgepikt. Moeten, moeten, alleen maar moeten.

“Ik stond vijfde in het klassement van de Tirreno-Adriatico, ik was de beste van de ploeg. Dan denk je dat je beschermd bent. Maar niemand wachtte op mij toen ik achterbleef. Toen ik daarover na afloop klaagde bij Priem, zei hij dat ik dan maar aan zijn auto had moeten gaan hangen. Ik vroeg een keer in de Giro aan Piet Liebregts 's avonds wat de uitslag was van de etappe, hoe ik ervoor stond. "Dat hoef jij niet te weten', was het antwoord. Moet je voorstelen: mijn oude ploegleider, met wie ik nog bij de amateurs reed.”

En zo kan hij nog tal van voorbeelden aanhalen. Die keer, jaren geleden, dat hij tiende in het klassement van de Tour de France stond, binnen een minuut van de gele trui. Rijdt hij mee in de kopgroep, op weg naar het geel. Dat dacht hij. Krijgt hij op z'n donder van Raas, z'n ploegleider. Hij mocht niet op kop rijden. Van Poppel zat in het peloton en die moest winnen. Laat die anderen maar rijden, was de verklaring. Het feodale werk waaraan de niet getalenteerde zich moet onderwerpen, Ducrot kreeg er in de loop der jaren steeds meer moeite mee.

En hij was “toch heel waanzinnig” van dat fietsen. “Ik kwam echt uit het café, een student. Ik was uitgeloot voor de studie medicijnen. Nou, dan maar psychologie. Ik fietste als anderen studeerden. Mijn vader vroeg alleen maar hoe het mijn studie stond. Fietsen vond hij maar niks. Toen werd ik derde in de Tour de l'Avenir en wereldkampioen op de ploegentijdrit. Ineens werd trainen legitiem. En ik wilde meer. Ik wilde alles meemaken. Prof worden. En wat denk je? Ik reed tussen Saronni en Moser, naast Pascal Simon die ik drie jaar daarvoor nog met een dronken kop op Orcières-Merlette had staan toejuichen. En plotseling won ik een Tour-etappe.”

Hij had een “verschrikkelijke discipline” in die beginjaren. Maar als zijn vrienden zoals gebruikelijk om elf uur 's avonds bij hem op bezoek kwamen, wilde hij naar bed. Uiteindelijk zette hij ze buiten de deur. Hij moest al om half tien gaan slapen. “Ik was wakker geworden. Nu word ik wielrenner dacht ik.”

Zijn eerste overwinningen begroette hij met een kinderlijke verwondering. Zelfvertrouwen putte hij er nauwelijks uit. “Een jaar na mijn etappe-zege in de Tour vond ik dat ik weer moest winnen. Ik kreeg faalangst. Dan word je zwak. Dan let je op andere mensen. Als anderen het willen, wil jij het ook.”

Ducrot merkte dat hij geen winnaar was. Misschien was hij lichamelijk net zo sterk als destijds Raas, Hinault of Kelly. Maar dat vastberaden gedrag, dat durven uitstralen, dat gevoel van te kunnen winnen, dat je de sterkste bent. Dat gevoel had hij eigenlijk nooit. Door sessies met haptonoom Ted Troost leerde hij zijn lichaam kennen, naar pijn luisteren. Hij volgde een rigoureus dieet, maar de Grote Doorbraak liet maar op zich wachten. “Ik miste zelfvertrouwen. Uiteindelijk kies je eieren voor je geld. Dan word je knecht. Zombie. Maar dat gaat tegen mijn natuur in. Je vindt wielrennen fantastisch, dus doe je het toch. Je offert je op. Totdat je wakker wordt. Een proces van jaren. Van die lollige toeristische student die een Tour-etappe wint ben je ineens prof geworden.”

Het beroepswielrennen is een stroomversnelling geraakt. Het niveau is zo hoog gestegen dat het niet meer hoger kan, heeft hij ervaren. “Je moet mee zijn, presteren en presteren. Dat kunnen er veel niet meer bijhouden. De krachtsverschillen zijn minimaal. Klassiekers worden massaal uitgereden.” De druk wordt groter, de sponsors gaan hogere eisen stellen en de ploegleiders hangen steeds nadrukkelijker met gebalde vuisten uit het portier van de volgauto. Ducrot heeft zich nooit zo laten opzwepen. Ook niet door Raas. “Ik stond helemaal niet open voor die push van Raas. Nijdam wel. Die heeft in het begin van zijn carrière onder enorme druk gestaan. En misschien heeft dat bij hem juist wel geholpen.”

Ach, ploegleiders. Wat zijn dat nu voor mensen? “Die gooien nieuwe profs in het ravijn. Diegenen die nog een beetje fladderen mogen blijven. Dat wordt wat, denken ze. Van die jongens die te pletter vallen, zeggen ze: "Zie je nu wel'. Capiot wint Parijs-Tours ondanks Priem. Die zegt wel dat hij Capiot eerst een schop onder z'n kont heeft moeten geven voordat hij presteerde. Het zijn altijd de ploegleiders die gewonnen hebben. Aan de finish steken ze een dikke sigaar op. Van: kijk mij eens. Maar Capiot wint de Omloop Het Volk en dan moet hij blijven winnen. Dat die jongen onder die druk zou kunnen bezwijken, begrijpt men niet. Uiteindelijk zakt hij weg in de stront en krabbelt er zelf weer uit. Dat is zijn eigen verdienste.”

Ploegleiders hebben nauwelijks respect voor hun renners, is Ducrots ervaring. Met Raas kon hij redelijk goed overweg. Die had hem door. “Maar de meesten willen niet op basis op gelijkwaardigheid werken. Ik werd ziek in de Waalse Pijl, de wedstrijd waarin ik het moest maken. Ik stapte ziek uit de Ronde van Spanje, dus moest ik nog maar eens naar de Giro. Dat moet dan. Geen overleg op basis van respect. Intussen had die man gebeld die ik nog uit mijn studietijd kende of ik geen interesse had bij hem te komen werken. Dat is echt geen toeval, denk ik. Ik was er aan toe. Ik dacht nog in die tijd: er moet iets heel ingrijpends gebeuren wil ik wielrenner blijven. Ik hield mijn plannen geheim om toch nog mee naar de Tour te mogen. Maar Priem liet me thuis. "Hij past niet in de ploeg', zei hij. Hij begreep wel dat ik hem niet zo hoog had zitten. Maar ja, je krijgt het respect dat je geeft.”

Hein Verbruggen, de voorzitter van de internationale profsectie, is bezig het beroepswielrennen te professionaliseren aan de hand van allerlei moderne organisatorische formules. “Kortere koersen, meer geld, meer televisie. Het is duidelijk, begrijpelijk en misschien wel goed. Maar die kar die hij trekt gaat sommigen te hard”, veronderstelt Ducrot. “De ploeg van Priem verliest drie van de vier sponsors. Andere ploegen hebben moeite nieuwe sponsors te vinden. Het bedrijfsleven is niet meer zo gretig om te investeren in de wielersport. Zes uur televisie van een wedstrijd is wel veel en rond de wielersport hangt een sfeer van charme. Maar er hangt nog te veel de geur van doping, ploeterende Flandriens en amateuristische ploegleiders.”

De ploeg van PDM maakt volgens Ducrot toch een professionele indruk. “Er bestaat een management, ze laten een rennersbus rijden, de organisatie ziet er volwassen uit. Maar het heeft toch te veel hobbyisme. Manager Krikke die van wielrennen houdt. Maar hij heeft te veel eigen belang via zijn eigen bedrijfjes. Sponsors willen een onafhankelijk management, zoals in het bedrijfsleven. Overleg, op basis van wederzijds respect werken. In een normaal bedrijf moet je solliciteren. Aan het hand van een profielschets wordt de sollicitant door een team gewogen. Een ploegleider koopt een coureur en plempt hem in de ploeg.”

Over amateurisme gesproken. Ducrot verwijst naar de geruchtmakende affaire met PDM. Nu zoeken ze een nieuwe arts. “Waarom niet een advertentie waarin een ploegarts wordt gevraagd? Nee, dat gaat weer op basis van relaties. Misschien wel de dokter die de eksteroog van de vrouw van de ploegleider heeft weggesneden. Maar weet die wel onder welke druk hij komt te staan in de beroepswielersport? In de Tour?”

Hij kan zich voorstellen welke panieksituaties zich kunnen voordoen. “Het gaat echt niet om doping. Maar er zijn artsen die de spuit erin gooien en er dan nog maar een beetje ijzer of iets anders bijdoen. Een beetje extra. Dan helpt het beter. Het gaat niet om die infusen, dat gebeurt al zo lang. Een paar jaar geleden was ik in de Tour zo diep gegaan dat ik wel wat toegediend moest krijgen. Maar het was wel opvallend dat ik daarna echt ziek werd en veertig graden koorts kreeg. Had ik nooit meegemaakt. Ik was zo ziek dat ik moest opgeven. Dat was geen doping, denk ik. Dat was te veel van het goede.”

Priem moet hij trouwens wel nageven dat hij weet wat hij doet. “Als hij een injectiespuit ziet die hij niet kent, spuit hij hem zo tegen de muur leeg.” Druk is er in medische zin nooit op hem uitgeoefend. “De meeste renners weten wat ze doen en wat ze krijgen. Er hoort ook wederzijds respect tussen renners en de arts te zijn. Het is het renpaardenverhaal. Een beetje van dit extra en ze lopen weer. Alleen kan een renner wat terugzeggen. Maar leveren mensen zich niet van nature uit aan artsen? Die hebben er toch voor gestudeerd.”

Hij kan zich heel goed voorstellen dat ploegleiders dolgraag een Tour-etappe willen winnen. “Maar ze weten niet welk instrument ze in handen hebben.” Hij is heus niet uit frustratie weggelopen uit het métier. “In 1985 en 1986 was ik tevreden als coureur. Dat ik de laatste drie jaar niets meer presteerde was niet rampzalig voor me. Ik heb dat spel gewoon niet mee willen spelen. Ik had ruimte kunnen afdwingen of gewoon een koers moeten winnen. Een kwestie van rustig blijven. Zoals Kelly. Die had na al zijn klassiekeroverwinningen een kwetsbare periode. Maar hij liet zich niet opjagen. Zelfs niet toen er aan hem werd getwijfeld. En hij won toch maar weer zondag in Lombardije. Maar ik heb in mijn kwetsbare periode verkeerd gekozen.”

Deze week trad drs. Maarten Ducrot (33) officieel in dienst als organisatie-adviseur bij Behaviour and Technology in Organisation, de voormalige bedrijfspsychologische dienst van Philips. De stropdas zit nog onwennig. Maar de eerste ervaringen met zijn nieuwe collega's en superieuren hebben een verfrissend karakter. Er wordt gesproken op basis van overleg en wederzijds respect. Hij voelt zich geen zombie meer.

    • Guus van Holland