Kritiek Rekenkamer treft vrijwel gehele misdaadbeleid

DEN HAAG, 26 OKT. De sombere toon van de Rekenkamer in het gisteren gepresenteerde rapport Criminaliteitsbestrijding, contrasteert scherp met de optimistische geluiden die minister Hirsch Ballin (justitie) - en soms zijn ambtgenoot Dales (binnenlandse zaken) - in reactie laten horen.

Het gecomputeriseerde cellenbeheer (MITRA) deugt niet, zegt de Rekenkamer. “Geenszins”, sust de minister, “nu een tussentijdse evaluatie heeft uitgewezen dat een decentrale systeemopzet beter zou zijn, is inmiddels tot ontwikkeling hiervan overgegaan.” Waarmee tegelijk impliciet wel wordt toegegeven dat de centrale systeemopzet inderdaad ondeugdelijk was. Een automatisch systeem op basis waarvan het openbaar ministerie zijn beleid kan plannen (COMPAS) is nog altijd niet gereed, signaleert de Rekenkamer. Geen nood, antwoordt Hirsch Ballin, we werken op zeven parketten al met het informatiesysteem Gouden Delta. “Zodat binnenkort de voor het beleid noodzakelijk informatie aanwezig is.”

Het rapport van de Rekenkamer presenteert de uitkomsten van een onderzoek naar de uitvoering van het in mei 1985 door de bewindslieden van justitie gepresenteerde beleidsplan Samenleving en Criminaliteit. Dat plan betekende het eerste regeringsoffensief tegen normvervlakking en negatieve effecten van individualisering. Normbesef en sociale controle dienden te worden aangescherpt. De opsporing van misdaad, de vervolging en de tenuitvoerlegging van straffen verbeterd. De kleine criminaliteit - kort daarvoor ontdekt door de Commissie Roethof - moest door middel van preventie worden uitgebannen. Kritikasters hekelden direct al “de overspannen verwachting van de effecten van nieuw beleid”.

De kritiek van de Rekenkamer strekt zich uit over een zeer breed spectrum van de misdaadbestrijding. Bij de experimenten met bestuurlijke preventie van kleine criminaliteit is wat losjes omgegaan met subsidieverlening. De Rekenkamer voerde een steekproef uit bij 34 van 250 lokale projecten en concludeerde onder meer dat bij tien projecten de doelstelling niet spoorde met de toekenningscriteria voor de subsidieregeling. En van slechts twee projecten was financiële verantwoording van de toegekende subsidies gegeven. (Dales: “Die financiële afrekening had wel eerder gekund, maar dat levert geen problemen.”)

Maar het onderzoek strekte zich bijvoorbeeld ook uit over het functioneren van het driehoeksoverleg tussen burgemeester, politiechef en officier van justitie over de afstemming van het vervolgingsbeleid (“in onvoldoende mate gerealiseerd”), over de politie automatisering (het Herkenningssyssteem (HKS) werkt nog steeds niet, hoewel de ministers eerder hadden gezegd dat het in 1989 “volledig operationeel” zou zijn), en over de opzet van Criminele Inlichtingendiensten (CID's) ter bestrijding van zware georganiseerde criminaliteit (elk korps heeft een eigen automatiseringssysteem op poten gezet).

In een heel enkel geval wordt erkend dat een beleidsonderdeel minder succesvol verlopen is. Zo geeft Hirsch Ballin toe dat “er weinig vooruitgang is geboekt met de invoering van de frauderegistratie”. Maar het leeuwedeel van de kritiek van de rekenmeesters wordt door de bewindslieden als onbillijk ervaren: er is geen rekening gehouden met het feit dat het gaat om “beleid gericht op de langere termijn”, dat voor zover nog niet gerealiseerd nog immer in uitvoering is.

Overigens is de Rekenkamer over één aspect onverkort lovend. Alle plannen uit Samenleving en Criminaliteit zijn inmiddels omgezet in wetten. Daarvan kan tegelijkertijd op basis van het rapport van de Rekenkamer gezegd worden dat zij nauwelijks gehandhaafd worden. Maar dat gevaar heeft Hirsch Ballin zelf dit voorjaar gesignaleerd. In een beleidsnota.