Kip en ei in oerwoud van Kalimantan; "De enige manier om op enige schaal duurzaam bosbeheer te realiseren is laten zien dat het geld oplevert'

BALIKPAPAN, 26 OKT. Hier en daar steekt een ladang-bouwer nog wat struikgewas in brand, een laatste kans om te planten voor de grote regen. Opzichters van staatsbosbedrijven laten rubberplantjes uitzetten in tevoren kaalgeslagen en platgebrande vakken. En in het bos schieten paddestoelen op tussen de wortels van de woudreuzen. De droogte lijkt voorbij, de eerste regen is gevallen en het gevaar van een grote brand als in 1982-83 is voorlopig geweken. Maar de bossen van Kalimantan, het op een na grootste regenwoud ter wereld, zijn nog lang niet veilig. Meteorologen voorspellen volgend jaar een nieuwe, langdurige droogte in Indonesië. Bovendien slinkt het bos niet alleen door brand, maar ook onder de motorzagen van de houtwinningsbedrijven.

Toen de buurlanden twee weken geleden alarm sloegen over de rookontwikkeling boven Kalimantan, werd de vraag weer actueel wie de hoofdschuldigen zijn van de regelmatig terugkerende bosbranden in Indonesië: de "wilde' migranten die hun grondjes elk jaar kaalbranden of de grote houtbedrijven met hun zaagmachines en bulldozers. Een ding is zeker: ongeschonden regenwoud vliegt - anders dan het naaldbos van de Veluwe - niet zo gauw in brand. De kans op blikseminslag is klein en het regenwoudmilieu is zo vochtig dat spontane branden nauwelijks voorkomen. Bosbranden in de tropen beginnen pas na menselijk ingrijpen.

De kip en het ei. De ladang-bouwers hebben alleen toegang tot het bos langs rivieren en gebaande wegen. De staat legt asfaltwegen aan om afgelegen gebieden te ontsluiten en de houtbedrijven banen zelf een weg door hun concessies. Het netwerk van logging roads en bulldozer-sporen waarlangs de gevelde bomen worden afgevoerd, legt het bos open voor de ladang-bouwers. Bovendien laten de kappers in het bos veel los hout achter. Bij langdurige droogte wordt dat een kruitvat, waarvan de kolonisten de lont ontsteken.

De Indonesische overheid is enigszins verlegen met het probleem. Zij weet niet goed raad met deze wilde migranten, die met een parang (kapmes) iedereen weghouden van hun brandende percelen. Bovendien geeft Jakarta liever niet de schuld aan "de armen'. Het ministerie van bosbouw verplicht houtondernemingen om indringers van hun concessies te weren, maar is blijkbaar niet in staat dit af te dwingen.

Op kleine schaal wordt geëxperimenteerd met hervestiging van spontane migranten. Enkele honderden families in Oost-Kalimantan hebben land gekregen dicht bij de weg, wat leidde tot intensiever grondgebruik. Deskundigen bepleiten grootscheepse voorlichtingscampagnes voor ladang-boeren, maar de meesten zijn moeilijk te bereiken; zij opereren alleen en diep in het bos.

Bosbranden vormen niet de grootste bedreiging voor het tropische regenwoud. Volgens een voorlopige schatting van het weekblad Tempo is er dit jaar in Indonesië zo'n 90.000 hectare in vlammen opgegaan, terwijl het jongste rapport van de Wereldbank (1991) meldt dat er jaarlijks een miljoen hectare Indonesisch bos wordt gekapt. Daar stond de laatste jaren niet meer dan 50.000 hectare nieuwe aanplant tegenover.

In de tweede helft van de jaren zestig begon Indonesië kapconcessies uit te geven aan binnen- en buitenlandse ondernemingen, soms met miljoenen hectaren tegelijk. Om de waardevolle soorten hardhout af te kunnen voeren, richtten deze ware ravages aan. Wat niet voldoende opbracht, bleef achter voor de houtdieven.

Volgens een FAO-rapport van 1989 is alleen al sinds 1982 in heel Indonesië zo'n 13 miljoen hectare tropisch bos verwoest. Het genoemde Wereldbankrapport schat dat het Indonesische regenwoud bij voortzetting van het huidige exploitatietempo binnen veertig jaar helemaal is omgehakt. Deze schatting is gebaseerd op de huidige jaarlijkse inkomsten uit de commerciële houtproduktie. De ramingen van de oppervlakte resterend bos lopen uiteen van 144 tot 120 miljoen hectare, waarvan zo'n 65 miljoen hectare is opengesteld voor concessiehouders.

De laatste jaren voltrekt zich geleidelijk een kentering in het Indonesische overheidsbeleid. Die is onder andere het resultaat van internationale druk, van afnemers, donorlanden en internationale organisaties. Voorts spelen afnemende marginale opbrengsten en een nieuwe wind in het ministerie van bosbouw hierbij een rol.

Uit betrouwbare bron valt te vernemen dat president Soeharto zelf de wissel heeft omgezet nadat hij enkele jaren geleden een bezoek bracht aan zijn geboortedorp in Midden-Java en onsteld was over de ontbossing en erosie ter plaatse. Hoe het ook zij, in 1988 benoemde hij een nieuwe minister bij Bosbouw: Hasjrul Harahap.

Zijn credo luidt: duurzaam bosbeheer, wat inhoudt dat commerciële exploitatie aan gedetailleerde voorschriften wordt gebonden, zowel om het natuurbos te behouden als om de inkomsten uit de houtexport op de lange termijn veilig te stellen. Het gaat Harahap behalve om natuurbehoud ook om de toekomst van een lucratieve bedrijfstak. In 1990 verdiende Indonesië vier miljard dollar aan de export van triplex en ander bewerkt hout; zo'n 400.000 Indonesiërs zijn werkzaam in de houtindustrie.

Sinds 1989 is een groot aantal nieuwe regels van kracht waaraan de houtwinningsbedrijven zich te houden hebben. Die hebben onder meer betrekking op de omvang van de te kappen "blokken' en de diameter van de om te leggen bomen. Per kubieke meter hardhout (opbrengst na aftrek van kosten: 45 dollar) betalen de concessiehouders 10 dollar voor het herbebossingsfonds van Bosbouw en een extra heffing van vijf dollar.

Nieuwe concessies worden in principe alleen verleend aan ondernemingen die de noodzakelijke kennis in huis hebben om het bos volgens de regels te exploiteren. Al actieve bedrijven worden verplicht hun personeel bij te scholen. Met ingang van dit jaar moeten alle concessiehouders boomkwekerijen aanleggen en vanaf volgend jaar moeten zij evenveel hectaren herbeplanten als zij kappen.

De uiterste sanctie is intrekking van de concessie; de laatste twee jaar zijn op een totaal van 527 concessies er zo'n 100 ingetrokken. Een deel is opnieuw uitgegeven aan particulieren, de rest werd overgedragen aan staatsbosbedrijven. Ter ontlasting van het natuurbos is Harahap een ambitieus programma begonnen voor de aanleg van zogeheten "industriële bosplantages', waarvoor tot 1999 6,2 miljoen hectare door brand of buitensporig kappen beschadigd bos is gereserveerd.

Vriend en vijand van de regering erkennen dat de nieuwe voorschriften er goed uitzien, maar de uitvoeringsproblemen zijn gigantisch. De belangrijkste zwakke plekken zijn: geringe politieke wil op plaatselijk niveau, gebrekkige controle en ontoereikende kennis bij de bedrijven.

Toen de provinciale chef van Bosbouw in Oost-Kalimantan, een gepensioneerde kolonel, onlangs een zeer hoge boete oplegde aan een malverserende concessiehouder, werd vanuit een ander ministerie in Jakarta aangedrongen op zijn ontslag. Overigens vergeefs, maar zoiets vergroot de arbeidsvreugde niet. Houtdieven delen hun opbrengst niet zelden met de plaatselijke politie.

De Nederlander Willie Smits, leider van een gezamenlijk onderzoeksproject van de Stichting Tropenbos en het ministerie van bosbouw in Oost-Kalimantan, noemt nog enkele zwakke plekken: “Wil je het bos geheel volgens de regels uitkappen, dan vereist dat nogal wat kennis. Met name in de voorbereidende fase, waarin topografische kaarten moeten worden gemaakt, bomen geïdentificeerd, toekomstbomen aangegeven en de vellingsrichting bepaald. De regels zijn zeer goed, maar de uitvoering vraagt veel van de cruisers, die de te kappen bomen moeten identificeren. Hen goed opleiden is de sleutel tot beter beheer van het tropische bos”.

“De enige manier om op enige schaal duurzaam bosbeheer te realiseren, is laten zien dat het geld oplevert. Dat is de beste motivatie voor de ondernemers om hun bossen beter te beschermen - ook tegen indringers en vuur - en ze op een verantwoorde manier, met kleinere machines en grotere kennis, te beheren.”

    • Dirk Vlasblom