JONATHAN SPENCE "IN CHINA STIERVEN ZE ALTIJD AL MASSAAL'; Jonathan Spence over de onderstromen van de Chinese geschiedenis

Op zoek naar het moderne China, 1600-1989 door Jonathan D. Spence 835 blz., Agon 1991, vert. Jaap Engelsman (The Search for Modern China, 1990), f 75,- ISBN 90 5157 085 6

Met haar rose gebouwen, kortgeschoren gazons en stipt op tijd in collegezalen verschijnende studenten ligt de universiteit van Yale er deze herfstmorgen zedig bij. ""Net zo zedig als de Beida-universiteit in Beijing,'' lacht professor Jonathan D. Spence. Daar, op de geboortegrond van de Chinese Lente, is het "losbandige gedrag' van studenten volgens de autoriteiten uit de hand gelopen en moet een officieel kusverbod de adolescenten in het gelid dwingen. Mannen en vrouwen mogen elkaar niet meer in het openbaar zoenen; dergelijke activiteiten "ondermijnen de publieke moraal'. Zelfs hand in hand lopen geldt als een misdrijf. Op overtredingen staan sancties die variëren van heropvoeding tot geldboetes en vrijheidsstraffen.

""Absurde, verdrietig makende maatregelen,'' zegt Spence, ""Zulke puriteinse gebaren zijn 1991-varianten op de sociale code die China al millenia kent: elkaar in het bijzijn van anderen aanraken is zo ongeveer obsceen. Sterker dan de meeste andere culturen lijkt China een voortdurend echoënd refrein van haar eigen historie. Het zijn steeds dezelfde preoccupaties, problemen en zorgen die als een rode draad door de geschiedenis van het land lopen. Sommige vakgenoten verdedigen de theorie dat China een metamorfose heeft ondergaan door vier decennia communisme. Dat is ook de pretentie van het bewind - maar het is een pretentie die mij vals lijkt. Aan de oppervlakte zie je nogal wat golfslag, maar daaronder stromen eeuwige conventies.

""De opstelling van de staat tegenover een fundamentele waarde als vrijheid verandert niet of nauwelijks. Sinds lange tijd verbiedt China filosofen, schrijvers en dissidenten op straffe van de dood te denken en te doen wat zij willen. Toch ben ik vol van hoop voor het land - gewoon omdat ik er zoveel van hou, intellectueel, esthetisch, visueel. China domineert mijn bestaan. Het is een raadsel, op een schaal die nergens ter wereld wordt geëvenaard. Een raadsel dat je absorbeert en mentaal koloni-seert. Op een gegeven moment stel je vast dat ook de liefdes in je leven ermee samenvallen.''

Jonathan Spence werd in 1936 geboren in de Engelse landstreek Surrey, maar doceert nu al vijfentwintig jaar Chinese geschiedenis aan de universiteit van Yale, niet ver van New York. Zijn onderzoek richt zich op de problematische verhouding tussen het Rijk van het Midden en het Westen. Van zijn werken verschenen in Nederland onder meer Het geheugenpaleis van Matteo Ricci. De missie van een jezuïet in China, 1552-1610, De vraag van Hou. Een Chinees in Europa, 1722-1726 en De Poort van de Hemelse Vrede. De Chinezen en hun Revolutie, 1895-1980.

Volgende week brengt Spence een bezoek aan ons land om de vertaling in ontvangst te nemen van het vorig jaar verschenen The Search for Modern China. Het is een boek dat oogt als een magnum opus, leest als een magnum opus, en is gerecenseerd als een magnum opus. De New York Times noemde het werk een van de beste veertien boeken van 1990 en stelde dat het ""de komende generatie geen concurrentie zal ondervinden''. Het thema van Spence - die in zijn boek de vier eeuwen tussen de ondergang van de Ming-dynastie en het bloedbad van juni 1989 bestrijkt - is in zijn eigen woorden ""de moeizame strijd van een begenadigde, oude cultuur die haar weg probeert te vinden in de moderne wereld''.

Op zoek naar het moderne China voert de lezer langs historische pieken en dalen, zoals de dwalingen van de Last Emperor, de Opiumoorlog, het tijdperk van de warlords, de confrontaties met Japan, het échec van de Guomindang, de Lange Mars, de Culturele Revolutie, de "broedertwist' met de Sovjet-Unie, de pingpongpartij Mao-Nixon en het tijdperk-Deng Xiaoping. Maar ook komen zaken aan de orde als de oorsprong van het Mao-jasje, kalligrafie, proletarische prostitutie en de tranen van ex-partijleider Zhao Ziyang. Bovendien heeft Spence de tekst gekruid met gedichten, diplomatieke correspondentie, volksliedjes, keizerlijke roddels, romanfragmenten, muurkrantcitaten, studentenproza en communistische retoriek.

""Ik laat stijl meer werk doen dan de meeste historici wenselijk achten,'' zegt hij, en inderdaad werkt het boek als een politieke thriller. Hoe Kristofer Schipper (directeur van het Institut des Hautes Etudes Chinoises van het Collège de France) dit meesterwerk in Het Parool een ""onververteerbare compilatie'' kon noemen, is een raadsel.

Spence kan wellicht worden verweten dat zijn 835 pagina's de China-specialist niets nieuws bieden. Met de "vermenselijking' van droge feiten bedient hij voornamelijk de geïnteresseerde leek. Maar juist de manier waarop het grote publiek toegang tot het "Moederland' wordt geboden, maakt het boek baanbrekend.

Wat ziet U als de zwakke punten van dit werk?

""Ah, de methodiek der zelfkritiek! Een heuse Chinese struggle session! Kijk, het boek wijkt fundamenteel af van wat ik als humanistisch historicus het liefst doe: een klein onderwerp of één leven aan de hand van talloze bronnen ontleden en zo een groot verhaal illustreren. Voor eenmaal is mijn aanpak anders, sociologisch. Je kunt het een synthese van honderden reeds verschenen studies noemen. Sommigen vinden dat ik niet langs chronologische lijnen had moeten werken, dat schrijven "per categorie' beter zou zijn geweest. Anderen menen dat mijn politiek-culturele en economische benadering niet boeiend is. Zij preferen een mentaliteitsgeschiedenis."

Maar vooral Uw visie op Moa Zedong is niet overal met gejuich begroet.

""Als ik mezelf per se op de pijnbank moet leggen: ik vel één belangrijk en aanvechtbaar oordeel in dit boek. Het oordeel dat het communisme, ondanks de inmiddels wijdverbreide opvatting dat het schadelijk en misschien irrelevant was, niet louter een folly mag heten. Zeker, ook in China heeft het miljoenen mensenlevens gekost. Maar men stierf daar altijd al massaal. Mijn boek neemt Mao Zedong serieus als sociaal revolutionair - met de nadruk op sociaal.

Ik breng niet dezelfde waardering op voor Chiang Kai-shek. Het Guomindang-regime had een moorddadig karakter; het betekende geen geluk en vooruitgang voor het Chinese volk. De frustraties en het gevoel van vernedering onder de burgers was enorm. Natuurlijk, de communisten pasten terreur, leugens en Kom-intern-methoden toe om mensen te mobiliseren en strijders tegen de nationalisten te recruteren, maar anders dan veel Amerikanen tot op de dag van vandaag beweren, was er tegelijkertijd oprecht idealisme en enthousiasme bij de bevolking.''

U gebruikt positieve adjectieven als u de "sophisticated' volksheld Mao beschrijft en u blijft op de vlakte wanneer u door hem geïnitieerde catastrofes als de Grote Sprong Voorwaarts belicht. Kristofer Schipper sneerde zelfs: ""Het is opmerkelijk dat iemand als Spence zo'n tendentieus verhaal kan schrijven.

""Misschien is dat redelijke kritiek. Ik zeg inderdaad nooit dat de terreur schokkend-boosaardig was. De feiten spreken voor zichzelf. Dat ik wèl uitdrukkelijk positief schrijf over Mao's beginjaren komt waarschijnlijk doordat hij sinds de overdreven lof die menigeen hem in de jaren zestig toezwaaide teveel door een Koude Oorlog-bril wordt bekeken. Ik probeer dat beeld te nuanceren.

Tongue in cheek: ""Ik heb iets van de naïeveling die nog onder de indruk is van de andere kant van nachtmerries.''

Begrijpt het Westen wat er momenteel in China gebeurt?

""Niet echt. Je begrijpt meestal net zoveel als je ziet, en de Chinese overheid zorgt ervoor dat we weinig zien. Verslaggevers en wetenschappers kunnen weliswaar veel plaatsen bezoeken, maar voor de lokale bewoners is het gevaarlijk zich bloot te geven. Verder geven China's machthebbers de pers alleen de kans onderwerpen te behandelen die zj in de schijnwerpers willen hebben. Dan zie je bijvoorbeeld plots een vloed aan artikelen over de toestand in ziekenhuizen. Omdat ze hopen op giften, of juist omdat het "hoge' niveau van de gezondheidszorg aandacht moet krijgen - je weet het niet.''

Slechts vijfmaal in de afgelopen kwarteeuw bezocht Spence de Volksrepubliek. Vorig jaar verklaarde hij voorlopig niet meer naar China te zullen reizen. Hij vreesde dat zo'n bezoek door het bewind wordt uitgelegd als instemming met het optreden van het Volksbevrijdingsleger in 1989 en met de daaropvolgende heksenjacht op "bourgeois-liberalen'. Toch maakte hij enkele maanden geleden een tocht door het land, zij het min of meer incognito. ""Géén lezingen voor autoriteiten. Ik wilde niet gebruikt worden,'' zegt hij, ""Wie mijn onderneming arrangeerde, vertel ik liever niet. Ik ontmoette "opstandige vrienden', deed de provincie Guangxi aan en vertrok net zo stilletjes als ik was gekomen.

""Een trip door de Volksrepubliek is minstens zo beangstigend als fantastisch. Overal duikt de geheime dienst op, mensen krijgen ongelukken, verdwijnen... je kunt er buitengewoon bang zijn voor je lot of dat van je kameraden. In het verleden werden mijn lessen daar verstoord of afgelast; keerden bepaalde studenten niet terug; lieten bevriende contactpersonen het onverwachts afweten; doorzocht men mijn kamer, mijn bagage. Het is slecht relaxen in China.''

En nog slechter demonstreren. Het regime wist de studentenopstand achteraf bezien vrij makkelijk de kop in te drukken. Waarom slaagde de Chinese Lente niet?

""Het regime antwoordde op een zeer wrede manier. Maar belangrijker was dat de protestbeweging fragiel en verdeeld bleek. We weten inmiddels dat de discussies tussen de leiders op het Plein van de Hemelse Vrede werden gekenmerkt door bitterheid. Bovendien beschikte de oppositie niet over een alternatieve structuur zoals de organisatie die Jeltsin en de vakbond van Walesa wel hadden. Er namen weliswaar arbeiders deel aan het oproer - het lijkt er zelfs op dat de meeste doden in die hoek zijn gevallen - maar de meeste fabrieken en bedrijven bleven werken. De motor van de economie draaide door. In het Westen dacht menigeen dat het hele land was lamgelegd, maar dit was absoluut geen nationale rebellie. Honderden miljoenen boeren wisten er niets vanaf. En het handjevol dat op de hoogte was, toonde geen interesse.''

Cynische China-kenners zeggen dat het de Volksrepubliek in economisch opzicht "te goed' gaat. "Revoluties beginnen in lege broodtrommels, niet in volle,' betoogde Marx, en dát zag hij juist.

""Ik zou het niet eens cynisch noemen. De ruimte voor privé-ondernemerschap en de vermindering van de controle op de landbouw hebben de kwaliteit van het leven verbeterd. Chinezen denken nu meer aan de aanschaf van een televisie dan aan muiterij. Overigens kan een verhoogde levensstandaard op den duur óók een voedingsbodem voor tumult vormen. Als je een tijdje behoorlijk te eten hebt, begin je je druk te maken over luxere dingen als vrijheid van meningsuiting. In die zin stuurt China ongewild op een omwenteling af.''

Maar naast relatieve welvaart zag Spence deze zomer in de Volksrepubliek ook ""ongelofelijke armoede, armoede die de ellende van de jaren veertig naar de kroon steekt''.

""Het fortuin van de ene groep gaat ten koste van de andere,'' legt hij uit. ""Veel mensen die lang konden wentelen in het lauwe bad van het communistische systeem, zijn nu aan zichzelf overgeleverd. Ouderen. Ongeschoolden. Vrouwen en kinderen. Ik zag ze nagenoeg naakt op straat liggen, bedelend, rot fruit etend, rillend van kou en koorts. De periode van de warlords wordt juist vanwege de tegenstelling tussen de puissante rijkdom enerzijds en het massale kreperen anderzijds als een van de afschuwelijkste episodes in de Chinese geschiedenis beschouwd. Het land lijkt weer af te glijden naar zo'n situatie.''

De tragiek van China, meent Spence, is dat het veel nadrukkelijker dan de Sovjet-Unie de mogelijkheid had vreedzaam elementen van democratie te introduceren. Hij wijst op het medio jaren zeventig geïnitieerde Open Deur-beleid. ""Dat was een historische gelegenheid om economische liberalisering gepaard te laten gaan met politieke hervormingen. Nu loopt Moskou voorop, dreigt het vrijheidsvirus straks de Volksrepubliek te infecteren en kunnen de Chinese leiders alleen maar hopen dat zo'n coup van orthodoxe communisten tegen de "lafaard' Gorbatsjov een volgende keer wèl lukt.''

U vergelijkt de opstelling van Deng Xiaoping met de houding van de laatste keizers.

""De laatste telgen van de Qing-dynastie poogden eind vorige eeuw zeer selectief Westerse ideeën te importeren. In hun voetspoor jaagt Deng Xiaoping de hersenschim na dat China zich op eigen voorwaarden bij de moderne wereld kan voegen, vanuit een isolationistische houding, immuun voor "geestelijke vervuiling', zonder de ideologische puurheid op te offeren.''

""Ontbinding zal volgen,'' schrijft u, ""Net zoals een mummie uiteenvalt als er lucht bij komt.'' Is dat een accurate beschrijving van de situatie of de verwoording van optimisme?

""De Partij smeert heel slim nieuwe conserveringszalf op het politieke been van de mummie, windt er extra wikkels omheen en brengt voor de zekerheid een laklaag aan. Kortom, het proces vergt meer tijd dan we dachten.''

Dissident Fang Lizhi koestert de hoop dat China van binnenuit verandert - ook al wijzigen de officiële etiketten niet: ""In de etalage van de winkel blijven de schapekoppen liggen, maar de slager verkoopt hondevlees.''

""Dat is niet zomaar een leuke metafoor. Je ziet inderdaad zo'n ontwikkeling. Het nieuwe verhaal over de Volksrepubliek gaat over politieke en economische autonomie buiten de hoofdstad. Wat Beijing zegt en doet, blijkt steeds minder belang te hebben voor wat er in China gebeurt. Vooral in het zuiden, in de Speciale Economische Zones, trekt men zich zo langzamerhand niets meer aan van de centrale bureaucratie. Haar kreten en labels staan haaks op de praktijk van alledag. Over zes jaar voegt Hongkong zich bij de Volksrepubliek en dat zou een stimulans kunnen zijn voor een kapitalistisch geïnspireerde stroming die het land op den duur economisch "verovert'.

""De interne en externe druk is echter zo enorm, dat grootschalig geweld in China voor de hand ligt. Ik ben bang dat de gruwelijkheden uit het verleden naar de bodem van het historisch bewustzijn zijn gezakt. Alleen een metamorfose van de Partij en de herrijzenis van hervormingsgezinde leiders lijken een ramp te kunnen voorkomen. De liberale factie is niet dood, ze wacht af.''

Maar ook de "liberale' factie heeft geen hoog democratisch gehalte.

""Wie of wat in China heeft dat wèl? In tegenstelling tot wat velen hier denken, zagen zelfs de studenten geen heil in stemrecht voor die "achterlijke' boeren. De Partij moest simpelweg worden schoongewassen: weg met het nepotisme, de corruptie en het machtsmisbruik.

Spence eindigt zijn boek zonder groot optimisme: ""Evenals hun voorgangers uit de afgelopen vier eeuwen zagen de Chinese leiders van de jaren tachtig politiek protest en de wens aan het bestuur deel te nemen ofwel als een teken van ontrouw, ofwel als een oproep tot chaos. Die houding moet in de jaren negentig veranderen. (...) Een echt modern China is onmogelijk zolang het volk zijn stem niet terugkrijgt.''

De vraag is of niet evenveel waarheid schuilt in de opmerking die een Chinees denker al een halve eeuw geleden maakte: ""Invoering van democratie zou net zoiets zijn als een meisje met afgebonden voeten een paar naaldhakken geven en haar opdragen te gaan dansen.''

""Vragen om democratie is misschien het ingewikkeldste verzoek in het leven,'' verzucht Spence, ""Als je de persoonlijke moed, het economische talent, de arbeidsinzet en het sociale organisatievermogen van Chinezen gadeslaat, besef je dat zij net zo klaar zijn voor democratie als ieder ander op deze planeet. Zeker, honderden miljoenen Chinezen hebben vrijwel geen onderwijs genoten, lossen conflicten ruw op, zijn analfabeet en hebben alleen oog voor zichzelf. So what? De Amerikaanse politiek staat bol van domheid, geweld, chaos, hebzucht en schandalen.Kunt u mij het verschil uitleggen?''

Jonathan D. Spence geeft vrijdag 1 november een lezing aan de Rijksuniversiteit Leiden (Cleveringaplaats 1, zaal 003, aanvang 16.15 uur). Zaterdag 2 november debatteert hij vanaf 20.00 uur met China-kenner Michel Korzec in de Agnietenkapel, Oudezijdsvoorburgwal 231, Amsterdam (plaatsen reserveren via Eelco Beukers van Uitgeversmaatschappij Agon bv, 020-5511244).

    • Frénk van der Linden