Het vredig koninkrijk

Dat er dieren in een tuin horen te zijn is duidelijk: hoe ver de moderne tuin ook verwijderd mag zijn van de Hof van Eden, het zou een vergeefs en treurig oord zijn zonder dieren. De moeilijkheid is alleen dat zij - zowel degene die we zelf in de tuin loslaten als zij die er komen zonder uitgenodigd te zijn - van de tuin niet precies het gebruik maken dat we zouden willen.

De vriendelijke vlinder, de ijverige bij en de inwonende merel zijn allemaal welkom; ik herinner me ook hoe ingenomen mijn vader was met een kolonie roeken, hoewel ik er zelf het genoegen minder van inzag: "Je kunt er je horloge op gelijk zetten'. Ik heb het meer op de merel. De onze had een paar witte veren in zijn vleugel, zodat we hem altijd konden herkennen; de menselijke gebruikers van de tuin boezemden hem en zijn gade geen enkele angst in, ze kwamen vlakbij je zitten als je aan het spitten was en je deed ze zichtbaar genoegen door de tuinsproeier aan te zetten.

Op zomeravonden zaten we vaak op het terras naar ze te kijken: pa, ma en vier dochters (of zo zag het er uit: de mannelijke exemplaren zijn pas later te herkennen: nu waren ze nog het evenbeeld van mama), driftig door de tuin huppend (net zaklopende kinderen, maar versneld) op wormenjacht. In het begin brachten de jongen nog een hulpeloos gepiep voort, wachtend om gevoed te worden, maar na een poosje hadden ze de kunst afgekeken en vingen ze ze zelf.

Op een onvergetelijke avond zagen we hoe de vader ze voordeed hoe je uit de vijver kunt drinken. Nu is er maar één plek geschikt om dicht bij het water te komen: hij liet ze er letterlijk voor in de rij staan. Een van de jongedames duurde dat te lang en in haar ongeduld probeerde zij op het water te landen; ze was er als de weerlicht weer uit en liet zich daarna als een baksteen van de rand naar beneden vallen, daarbij haar vader bijna verpletterend; plof, daar zat ze en tuurde zijdelings naar het water (ze kijken naar alles zijdelings), alsof ze probeerde zich te herinneren wat ze daarna ook weer moest doen.

Deze idyllische scène kon alleen plaatsvinden in de afwezigheid van de abominabele merelbelager, ons eigen tuindier, de poes. Dat de merels dit jaar vier kinderen konden grootbrengen is weinig minder dan een mirakel; vorig jaar was het beeld heel wat somberder. De gevaarlijkste periode is wanneer de kleintjes leren vliegen. De tuin komt in een alarmtoestand; waarschuwingskreten van de ouders, hartverscheurend getjilp van de baby's, ongeruste voorspellingen en vergeefse maatregelen van ons en een kat wachtend onder elke boom. De poes-mens-verhouding is hoog in deze buurt en onze tuin zeer in trek; de muren eromheen mogen er onneembaar uitzien, maar de katten lopen er verticaal tegenop als hagedissen. Zelfs al is er op maaiveldhoogte geen kat te bekennen, dan hoef je de blik maar omhoog te richten om de poezengezichten vanaf de muur op je neer te zien kijken, als evenzovele Cheshire Cats.

De poezen in de Hof van Eden moeten tot een etherische soort behoren, ontheven van lichaamsfuncties. Ongetwijfeld: ""De hond zal met het konijn verkeren, en de kat nederliggen bij de merel, en de slak, de mol en de worm te zamen, en een klein jongsken zal hen drijven'', maar dat laat in feite onbeslist wat ze dan zullen eten; alleen een niet-tuinier zou zoals God kunnen bedenken dat ""aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin eene levende ziel is, al het groene kruid tot spijze is gegeven''.

Intussen is al dat groene kruid bij veel gedierte der aarde nog steeds behoorlijk in trek; je zou soms bijna wensen dat er wat meer carnivoren waren geweest. Hier in Europa hebben we herten en konijnen; in Amerika hebben ze de woodchuck, speciaal geschapen om het geduld der Puriteinen op de proef te stellen. Ik heb geen duidelijk idee hoe een woodchuck er uit ziet, tot voor kort dacht ik zelfs dat het een soort vogel was, maar het blijkt een tamelijk formidabel knaagdier (de "Virginische marmot', volgens het woordenboek) te zijn. Thoreau verloor een kwart acre van zijn geliefde bonen aan ze; Michael Pollan, een Amerikaanse schrijver over tuinieren, beschrijft hoe zijn moestuin er uitzag de ochtend nadat hij zijn zaailingen had uitgeplant. ""Zie de troosteloze aanblik van de neergemaaide rijen, elke zaailing keurig afgebeten op anderhalve centimer boven de grond, als door iemand die over een schaar en zeeën van tijd beschikte. (...) De woodchuck beschouwt je tuin of het een speciaal voor hem gedekte tafel was; hij ziet je planten niet zozeer als een dief maar meer als een familielid'' (Second nature, Atlantic Monthly Press, 1991).

Pollan raakte gewikkeld in een soort Vietnam-conflict met zijn woodchuck: ""een reeks escalerende maatregelen die alleen iemand als William Westmoreland volledig had kunnen begrijpen''. Hij probeerde het met gedragsverandering ("the send in a few advisers phase') - het blokkeren van de gangen; met terreur - een dode woodchuck in een gang, en met brandbommen ("the destroy the village in order to save it phase') - benzine in de tunnel. Pas na het mislukken van al deze pogingen gaf hij zich gewonnen en bouwde een schutting rondom zijn moestuin. Een Europese tuinier zou dat al meteen hebben gedaan, maar de erfenis van het puritanisme is een zware last; je bouwt geen schuttingen in het Beloofde Land.

Als pogingen om de Hof van Eden te herscheppen waren de eerste botanische tuinen in de zestiende en zeventiende eeuw stevig ommuurd; ze bevatten ook dieren en zelfs rotsen. Het ging niet alleen om het tonen van de hele schepping Gods, maar het illustreerde ook een in de zeventiende eeuw nog steeds aangehangen Grieks geloof in "the Great Chain of Being', de grote keten van het zijn die alles - van rotsen en planten, dieren en mensen, tot en met de engelen - met alles verbond. De praktische moeilijkheden om een ménagerie te onderhouden waren aanzienlijk (transport, voeding etc.) en veel tuiniers moesten zich tevreden stellen met uit heggen gesnoeide dieren en stenen beelden. Alleen kunstenaars, onaangedaan door het woodchuck-probleem, konden een ideale botanische tuin afbeelden, met een vredig beest midden in elke parterre.

Maar het zoeken naar het perfecte tuindier ging door, gecamoufleerd als het zoeken naar ontbrekende schakels in de Keten van het Zijn. In de Middeleeuwen was er een boom genaamd "Credulity' die in onze tijd in elke tuin onmiddellijk de blits zou maken: als de vruchten ervan in het water vielen werden het vissen, als ze op het land vielen ganzen. Maar toch is een boom niet een volkomen bevredigend huisdier, hoeveel ganzen hij ook kan voortbrengen, en het zoeken ging door. Ten slotte werd in de zeventiende eeuw de oplossing gevonden, in de meest afgelegen regionen van Azië: het Scythische lam, ook wel genaamd Borometz.

Dit schepsel leek op een jong lammetje, het enige verschil was dat zij in de grond stond geworteld op een stam uit haar navel. Het moet een eenjarige plant zijn geweest, sterk of niet wordt niet gespecificeerd, maar zij zaaide zich uit als een vergeetmeniet. Zij leefde niet lang; wanneer zij al het gras om haar heen had opgegeten stierf zij, haar zaailingen achterlatend. Wat een aanblik moet de tuin geboden hebben met die Borometzim er in: een kudde gewortelde Scythische lammeren die het gras kort hielden, hun loshangende poten maaiend door de lucht, blatend naar hartelust, omringd door haar zaailingen. Paradise regained!

    • Sarah Hart