Het volk komt in beweging

Wat verbindt Benjamin Franklin, Joan Derk van der Capellen tot den Pol, Alexis de Tocqueville en Harry Hopkins met Jan Schaefer, de stichter van een nieuwe "bezielende' staatkundige volksbeweging, die volgens een door de Vara gehouden enquête op een verrassend grote aanhang kan rekenen? Tenminste een paar klassieke politieke idealen, die af en toe uit de mode raken maar in tijden van nood telkens weer opkomen, zoals de idee van de (gematigde) volkssoevereiniteit en de gedachte dat de democratie niet alleen uit de hoofden maar vooral uit de handen van de mensen moet komen.

De een mag er wat meer van hebben dan de ander, maar alle vijf hebben ze een onverwoestbaar geloof in de democratie en een hartstocht voor doorzichtig openbaar bestuur gemeen. En ook nog een beetje menslievendheid.

Franklin (1706-1790) is de Godfather van de club. Natuurkundige, filosoof, diplomaat, volksvertegenwoordiger, schrijver, uitgever, stichter van een bibliotheek, uitvinder van de bliksemafleider, maar vooral: democraat. Hij was de oprichter van de eerste gemeentelijke vuilnisophaaldienst ter wereld (in zijn woonplaats Philadelphia) die op een van de zuiverste democratische principes stoelde. Na de zoveelste najaarsstorm die de straat voor zijn huis in een zandvlakte had veranderd (de straten waren nog niet geplaveid) veegde hij eerst zijn eigen straat schoon, deelde vervolgens aan iedereen die mee wilde doen gratis bezems uit, stak heel de buurt met zijn geestdrift aan en toen heel Philadelphia bezemend de straat op ging, sloeg hij toe om op gemeenschapskosten een dienst op te richten die wekelijks de straat kwam vegen. Het begin van democratische zelfvoorziening.

Van der Capellen tot den Pol (wiens antistadhouderlijk pamflet Aan het Volk van Nederland in 1784 verscheen) was de "rode landjonker' uit Overijssel, die de gevestigde orde van zijn tijd attaqueerde met republikeinse pamfletten en principiële kaakslagen. Hij kwam op voor de boeren, die in zijn gewest door de feodale "drostendiensten' werden uitgewrongen, propageerde de medezeggenschap in het stedelijk bestuur en bestreed de Oranjes en hun erfelijke opvolgingsrechten. Veel gelezen had hij niet, maar dat was voor hem geen reden om staatkundig afzijdig te blijven. Tegenover het literair vertoon van de Hoogmogende Heren in de Staten liet hij zich erop voorstaan "meer gedagt dan geleezen' te hebben. In feitenkennis blonk hij niet altijd uit, maar hij bezat een democratische geest en beschikte zowel over politieke intelligentie als intellectuele stoutmoedigheid.

Tocqueville (1805-1859) was geen geboren democraat, maar de staatkundige verhandelingen die hij over de democratie schreef nadat hij door de democratische geest van de jonge Verenigde Staten was aangestoken, zouden zijn intellectuele invloed voor altijd verzekeren. Als Parijs' magistraat werd hij naar de VS gezonden om daar het gevangeniswezen te bestuderen, maar zijn aanraking met de praktijk van de Amerikaanse democratie veranderden hem in een politieke waarnemer met bijzondere pedagogische gaven. Toen hij in Frankrijk terugkeerde was hij voor de democratie gewonnen en overtuigd van haar eeuwigheidswaarde.

Hopkins (1890-1946) was de onstuimige pleitbezorger van het democratisch dynamisme onder het bewind van president F.D. Roosevelt. Als assistent en particulier adviseur van Roosevelt had hij grote invloed op het werkgelegenheidsbeleid van de president en voerde hij eigenhandig sociale projecten uit die tot dan toe meestal in bureaucratische regels bleven steken. Hij had een onbeperkte vrije hand in het doorbreken van die regels en in het opzetten van experimenten voor de werklozen- en gezondheidszorg waarmee hij enige jaren miraculeuze successen boekte. Die onorthodoxe aanpak deed wonderen voor de president en maakte Hopkins tot een van de belangrijkste figuren, en vooral tot de voornaamste "doener', in de New Deal.

Schaefer heeft van alle vier wat: Franklins aanstekelijke democratische geestdrift, Van der Capellens klare taal (die, zoals Derk-Jan Eppink afgelopen maandag in zijn treffende portret van Schaefer in deze krant schreef, elk verklarend woordenboek overbodig maakt), Tocquevilles gave des woords en Hopkins onstuimigheid en doenerschap. Van hem zelf kan hij daar nog aan toevoegen een authentieke volksheid en een - in de communistische leerschool - verworven verbale onverschrokkenheid.

Jan Schaefer is een democraat met onberispelijke geloofsbrieven. De opwekkende taal die hij nu van zijn zeepkist laat horen, sprak hij dertig jaar geleden al, toen hij nog grasduinde in de volksdemocratie van de Amsterdamse Pijp. Hij behoort tot de weinige politici die in dit opzicht zichzelf gelijk zijn gebleven en het democratische geloof der vaderen niet zijn kwijtgeraakt. Dat maakt hem geloofwaardig en controleerbaar. Het verklaart niet alleen de populariteit van zijn initiatief (zie de Vara-opiniepeiling van deze week) maar ook de aantrekkingskracht op "een zangeres, een atlete en een Rotterdamse bloemenkoopman' - ofwel precies die kiezers die nog nooit een been aan de grond hebben gekregen in de partijdemocratie noch ooit voor vertegenwoordigende functies zijn uitverkozen. De parlementaire democratie moet inderdaad nog heel wat grond ontginnen om "heel het volk' bij de politiek te betrekken.

Schaefer was een van de eerste politici die hun ogen kost gaven in het bedrijfsleven toen dat in zijn partij nog tot vijandig, verboden gebied was verklaard. En toen het nog een taboe was om over de toenemende criminaliteit op straat te spreken was hij de eerste socialist die riep om de terugkeer van de conducteur op de tram om aan de veiligheidsbehoefte van de passagiers tegemoet te komen. In diezelfde tijd pleitte hij voor meer personeel in de warenhuizen om de sociale controle te vergroten en de veiligheid bedreigende winkeldiefstallen tegen te gaan. Al die onderwerpen waren in zijn eigen PvdA nog onbespreekbaar, maar Schaefer was van jongsaf een veel te onafhankelijk man om zich door partijpolitieke inhibities te laten remmen.

Zijn beweging heeft nog geen programma en aarzelt nog tussen politieke gebondenheid of ongebondenheid. Maar dat is een keuze die nog even kan worden uitgesteld. Voorlopig is het al heel wat dat er een politieke beweging is die de afstand wil overbruggen tussen de parlementaire democratie en een berustende, van "de politiek' vervreemde burgerij en het opneemt tegen de lauwheid, tegen de zielloosheid, het kleine geloof, het opportunisme en de beginselloosheid van een politieke technocratie die de democratie gaandeweg heeft verengd tot een gesloten circuit van ondoordringbare politieke professionaliteit.