Frans economisch motief belangrijker dan patiënten; Aids door cynisch beleid

PARIJS, 26 OKT. Economische belangen waren belangrijker dan de levens van hemofiliepatiënten. Dat is de kern van het schandaal van de besmetting van Franse hemofiliepatiënten met het HIV-virus dat aids kan veroorzaken. De patiënten, die regelmatig bloedtransfusie moeten ondergaan, kregen in de periode l984-85 bloed toegediend dat besmet was met het aids-virus. De medische autoriteiten waren daarvan op de hoogte, maar hielden hun mond omdat economische belangen prevaleerden boven levensbelang. Twaalfhonderd van de circa 2.500 Fransen die aan hemofilie lijden, bekochten dit cynische beleid in die jaren met aids-besmetting.

Drie artsen, ex-directeur Michel Garretta van de Franse bloedtransfusiedienst en twee hoge functionarissen van het ministerie van gezondheid, Robert Netter en professor Jacques Roux, zijn begin deze week officieel in staat van beschuldiging gesteld wegens hun rol in dit schandaal, dat in juni aan het licht kwam. Garretta wordt vervolgd op grond van een uit 1905 daterende wet inzake de bescherming van consumenten. Hij zal terecht moeten staan wegens de “verkoop van produkten waarvan hij wist dat ze besmettelijk waren”. Netter, ex-directeur van het nationale laboratorium voor gezondheid, en Roux, voormalig directeur-generaal van het ministerie van gezondheid, worden beschuldigd van “het niet verlenen van hulp aan personen in gevaar”.

Het schandaal kan volgens het officiële rapport dat Michel Lucas, directeur van de algemene inspectie van sociale zaken, over deze affaire uitbracht als volgt worden samengevat: vanaf 1984 kon de besmetting van hemofiliepatiënten met het aids-virus niet langer als een medische vergissing worden opgevat. Deze conclusie volgt uit de volgende gang van zaken: Vanaf 1983 en mogelijk eerder was de Franse bloedtransfusiedienst op de hoogte van het risico dat bloed, bestemd voor transfusie, besmet was met het virus dat aids veroorzaakt. Er bestonden toen nog geen betrouwbare methoden om deze besmetting onomstotelijk vast te stellen. De dienst verzuimde haar hemofilie-patiënten - en cliënten - te informeren. In 1983 ontwikkelde een Amerikaanse firma als eerste een methode om het aids-virus in bloed, bestemd voor transfusie, te "de-activeren' door verhitting. Pas een jaar later, in 1984, deed het ministerie van gezondheid de aanbeveling aan artsen uitgaan alleen bloed toe te dienen dat aan deze behandeling was onderworpen. Deze trage reactie was ingegeven door een economische overweging: het ministerie wees de Amerikaanse firma af en wachtte tot in eigen land een procédé voor verhitting van bloed was ontwikkeld. In 1984 verwerkte de bloedtransfusiedienst meer besmet bloed, veelal aangekocht in het buitenland, in haar produktie van bloed voor transfusiedoeleinden omdat dit veel goedkoper was dan "veilig' (verhit) bloed. Overwegingen van rentabiliteit gaven de doorslag bij dit besluit. In het eerste kwartaal van 1985 werd de invoer van veilig "verhit' bloed uit het buitenland om economische redenen stopgezet. En toen begon de misdaad: de bloedtransfusiedienst wist op dat moment 100 procent zeker dat het bloed dat voor transfusie werd gebruikt, met aids-virussen was besmet. Niettemin werd het besmette produkt gebruikt op grond van de veronderstelling dat slechts tien procent van met aids besmette patiënten (sero-positieven) daadwerkelijk aids krijgt. Deze veronderstelling bleek later falikant onjuist te zijn. Vanaf juli 1985 beschikte de bloedtransfusiedienst over haar eigen technologie om aids-virussen in bloed door verhitting te de-activeren. Maar de dienst besloot, andermaal om redenen van rentabiliteit, de bestaande voorraad besmet bloed op te maken. Het duurde tot 1 oktober voordat deze praktijk werd gestaakt.

Uit deze gang van zaken blijkt dat er geen twijfel kan bestaan over de verantwoordelijkheid van toenmalig directeur Garretta van de transfusiedienst. Uit een document, gedateerd 12 maart 1985, blijkt dat Jacques Roux, de hoogste ambtenaar van het ministerie van gezondheid, eveneens op de hoogte is van het grote risico dat de hemofiliepatiënten lopen. Hetzelfde geldt voor directeur Netter van het nationaal laboratorium van gezondheid. Beiden wachtten niettemin wekenlang voor ze actie ondernamen, reden waarom ze nu beschuldigd worden van het niet verlenen van hulp aan personen in gevaar. Het onderzoek bij het ministerie van gezondheid heeft slechts één document aan het licht gebracht. In een brief, gedateerd 10 mei 1985, wordt het probleem van het besmette bloed bij de transfusiedienst - en de speciale risico's voor hemofiliepatiënten - gesignaleerd, vergezeld van de aanbeveling een maand met besluitvorming te wachten.

Pas op 23 juli 1985 kwamen de ministers van sociale zaken en van gezondheid in actie ten behoeve van de hemofiliepatiënten. Ze besloten dat de patiënten geen vergoeding meer kregen voor transfusie met niet-verhit bloed. Datum van ingang: oktober l985 (omdat de bloedtransfusiedienst haar oude voorraden wilde opmaken). De vraag is nu of de twee bewindslieden wisten welke risico's aan het toedienen van niet-verhit bloed verbonden waren. Professor Roux zegt dat hij de naaste medewerkers van beide ministers herhaaldelijk mondeling heeft gewaarschuwd, maar bij het officiële onderzoek is daar geen enkele aanwijzing voor gevonden.

Economische overwegingen speelden in datzelfde jaar 1985 ook een doorslaggevende rol bij de besluitvorming over invoering van tests om bloed op het voorkomen van aids-virussen te controleren. De Amerikaanse firma Abbott deed in februari een aanbod om testapparatuur te leveren (die een maand later in de Verenigde Staten in gebruik zou worden genomen). Abbott was zijn Franse concurrent Pasteur voor, maar de Franse regering besloot te wachten. In juli werd het onderzoek van bloed op het voorkomen van het HIV-virus verplicht gesteld - Pasteur was klaar met zijn apparatuur.

Maar voor de Franse hemofiliepatiënten was het al te laat. De besmetting met het aids-virus via transfusie ging zelfs nog door tot oktober, zolang de oude voorraad besmet bloed strekte.

    • Jan Gerritsen