Vier reisboeken; Hoe eet men blokjes zeehondeneus?

Hans Bouman: Verboden bestemming: op zoek naar Herman Melville en de Stille Zuidzee. Uitg. Veen, 112 blz. Prijs ƒ 24,90 Lawrence Millman: Uiteinde van de wereld: een reis door het Noorden. Vert. Gideon den Tex. Uitg. Bert Bakker, 273 blz. Prijs ƒ 37,90 Mary Morris: Wall to Wall: from Beijing to Berlin by Rail. Uitg. Doubleday, 259 blz. Prijs ƒ 46,40 Anne Kuiper (samenst.): De muze in het bagagerek: Nederlandse schrijfsters in den vreemde. Uitg. Veen, 163 blz. Prijs ƒ 24,90

Paradise Lost: de titel van Miltons episch gedicht spookte almaar door mijn hoofd tijdens het lezen van Verboden bestemming, Hans Boumans verslag van zijn bezoek aan de Stille Zuidzee. Volgens de formule van de huidige generatie reisschrijvers ging hij "in de voetsporen van': niet van Milton, maar van Herman Melville, schrijver van een andere klassiek boek uit de Angelsaksische literatuur, Moby-Dick, en inmiddels honderd jaar dood.

Net als Melville in de vorige eeuw, ontkwam Bouman vorige zomer niet aan het gevoel te dolen door wat een paradijs had moeten zijn. Melville had zich in Amerika voor een lange reis aangemonsterd op een walvisvaarder, maar na anderhalf jaar varen krijgt hij zijn bekomst van het slechte eten en het zware regime aan boord. Hij deserteert, gaat tussen de plaatselijke bevolking wonen en beleeft talloze avonturen. Maar Melville is een rusteloze zwerver - een van zijn boeken over de Stille Zuidzee heet Omoo, "zwerver' - en zelfs deze hemelse eilanden gaan hem na een aantal maanden tegen staan. Achtervolgd door de atletische krijger Mow-Mow weet zijn alter ego Tommo niet hoe gauw hij een veilig heenkomen moet zoeken op, jawel, een walvisvaarder.

Het zijn nu andere obstakels waar Bouman op Tahiti en de haast onbereikbare Marquesas Eilanden tegenaan loopt: het astronomisch hoge prijspeil, de verkeersopstoppingen, de werkloosheid onder de maohi's, de laagste kaste van de Polynesiërs, de verpletterende inertie van de dienstverlenende sector. En van Melville is nauwelijks een spoor te vinden; de snackbars en kroegen zijn genoemd naar het schip de Bounty en zijn beruchte kapitein Bligh, maar Melville en zijn avonturenverhalen Omoo en Typee zijn klaarblijkelijk in de vergetelheid geraakt. De hut van Rupert Brooke en de studio van Paul Gauguin blijken eveneens verdwenen. De laatste Gauguin-relikwie, drie door hem beschilderde deuren in de woning van zijn voormalige huisbaas, is al in 1916 door W. Somerset Maugham opgekocht. “Tahiti is een plek van herinneringen, niet van memorabilia.”

Zowel voor Tommo toen als voor Tahiti nu is het onmogelijk terug te gaan in de tijd. Vandaar de titel: “De menselijke psyche staat teruggang niet toe: het is een taboe, een verboden bestemming. (-) Herman Melville is dood, al honderd jaar, maar het dilemma waar hij over schreef is nog altijd springlevend.” Helaas geldt dat in mindere mate voor Boumans weergave van dat dilemma. Het blijft bij een vluchtige schets van een buitenstaander, een reportage bestaande uit losse elementen waarvoor een overtuigende structuur ontbreekt.

Noormannen

Om Melville en zijn chroniqueur te volgen is een blik op de kaarten voor- en achterin toereikend, maar wie de Amerikaanse schrijver Lawrence Millman op zijn omzwervingen op de voet wil volgen, moet de Times Wereld Atlas op schoot houden. De titel Uiteinde van de wereld verwijst naar het noorden: Millman heeft als leidraad de route genomen van de Noormannen langs de Shetland- en Faer⊘er-eilanden, IJsland en Groenland, en eindigt in Labrador en Newfoundland.

Millman werpt zich op als de Indiana Jones van het hoge noorden. Het kan hem niet ruig en koud en leeg genoeg zijn. Hij maakt het zichzelf graag moeilijk door alles net als de Noormannen lopend en per langzame boot te willen doen, wat overigens niet meer mogelijk blijkt te zijn. Ondanks al het opgelegd pandoer en zijn vaak geforceerd droge humor (waar de anders zo bedreven vertaler Den Tex niet mee uit de voeten kan) komt Millman sympathiek over. Liefdevol verhaalt hij van de mensen die hij in dit bij uitstek lege deel van de aardbol ontmoet, zoals vuurtorenwachter Jóhann in het IJslandse Hornbjarg, die zich met - naar eigen schatting - zestienduizend boeken heeft omringd. Jóhann houdt erg van Shakespeare, maar ook van Peyton Place. We komen ook te weten dat een Groenlander blokjes zeehondeneus eet door ze aan de snorharen op te tillen - zo krijgen ze geen vette vingers. Zoiets als kaas met vlaggetjes, stel ik me voor.

Uit zijn verhalen blijkt dat hij al jaren door dit gebied reist, weet waar hij het over heeft en oprecht van het land en de mensen houdt. Illusies over de reinheid van het noorden heeft hij allang niet meer: “Achterlijk idealisme! In een oord als het Groenlandse Nuuq is het eerbiedwaardige beeld van de Eskimojager met de harpoen in zijn hand niet minder buitenissig dan een naakte calypsodanseres.” Maar de leegte en het isolement die hij zoekt, zijn er nog wel te vinden. Onderweg naar zijn laatste Noormannen-reisdoel, de Groenlandse nederzetting Sermiligaq, vat hij tussen neus en lippen door zijn drijfveren bondig samen: “In een tot dorp gereduceerde wereld is ontoegankelijkheid misschien wel het laatste voorrecht dat ons rest.”

Vrouwen op reis

Zo beeldend en gedreven als Millman schrijft, zo slap kletst zijn landgenote Mary Morris een boek bij elkaar over haar treinreis van Beijing naar Berlijn. Wall to Wall is een gruwzame mengeling van het reisverhaal en de bekentenisliteratuur. De lezer wordt doodgegooid met haar relatie, haar leven, haar joodse afkomst, haar reisdoel, ze valt ons zelfs lastig met haar "donkere Russische ziel'. Het is te betreuren dat een uitgever van enige naam als Doubleday zich met dergelijke onbenulligheden inlaat, alleen omdat, vermoed ik, er nu een markt is voor reisverhalen en ze ook nog van een vrouw zijn.

Het boek deed me verlangend terugdenken aan de treinreis van Beijing naar Moskou waarover Koos van Weringh vorig jaar Van de trein uit gezien schreef. Een bedachtzame neerslag van waarnemingen en overpeinzingen, een toneelstukje met het gangpad als dorpsstraat, waar de acteurs en het publiek dezelfden zijn.

De Nederlandse uitgeverij Veen heeft zich ook laten inspireren door het gecombineerde thema vrouwen-en-reizen. Anne Kuiper, redactrice van het feministische maandblad Furore, heeft werk van elf "Nederlandse schrijfsters in den vreemde' van omstreeks de eeuwwisseling bijeengebracht in de bloemlezing De muze in het bagagerek. Door zijn verscheidenheid is het boek genoeglijk. Niet alleen gaan de bijdragen over een groot aantal landen - Henriëtte Roland Holst over Rusland, Truitje Bosboom-Toussaint over China, Carry van Bruggen over Java (“We aan-voelden ze dan, de mystieke apen, we voel-wisten hun lome beweeg in de kolkende donkerte”) - maar ook had iedere schrijfster een eigen reden om op reis te gaan. Sommigen gingen met hun man mee, maar velen gingen zelfstandig, bijvoorbeeld Aletta Jacobs die zowat een wereldtournee maakte voor het vrouwenkiesrecht, of Mina Kruseman die als zangeres naar Amerika trok. “Beste Papa!” schrijft Mina. “Over mij behoeft gij u niet te bekommeren, ik zal mijn weg wel vinden, en mocht dit ook niet dadelijk vlotten, later zal het toch zeker gaan.”