"Verdachte NS-moord lijdt aan wanen'

LEEUWARDEN, 25 OKT. Aan het eind van de zitting van de Leeuwarder rechtbank zegt de 22-jarige R. B., die terechtstaat wegens het doodsteken van NS-conducteur J.W. van der Meulen op 8 mei dit jaar, dat hij er niet van overtuigd is dat de conducteur werkelijk dood is. Van sectiefoto's herkent hij de 32-jarige Leeuwarder treinconducteur niet. Tegen B., die zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit bezit, werd gisteren negen jaar gevangenisstraf met tbs en dwangverpleging geëist.

Niet bekend

B. sliep in de nacht van 7 op 8 mei 1991 bij zijn ouders in Harlingen. De volgende morgen nam hij de trein van 10 over half 8 uit Harlingen naar Leeuwarden, voor een bezoek aan de Sociale Dienst. Hij stak een visfileermes bij zich, omdat hij moeilijkheden verwachtte met junks die zich bij het gebouw zouden bevinden. Hij wilde er zo nodig mee dreigen, niet mee steken, zei hij. B. had toen hij in de trein stapte al zestien keer een proces verbaal gehad wegens zwartrijden. Bij het NS-personeel was het volgens officier van justitie mr. J. Riemersma algemeen bekend dat er op de lijn Leeuwarden-Harlingen regelmatig Marokkaanse jongeren reisden zonder geld of geldig vervoersbewijs. Zij werden uit de trein gezet. B. was dat in die zestien keer nooit overkomen.

Toen de trein zich langzaam in beweging zette stapte B., die op het balkon op een klapstoeltje zat, op Van der Meulen af met zijn paspoort, opdat deze een proces- verbaal kon uitschrijven. De hoofdconducteur, die nog nooit moeilijkheden met reizigers had gehad en als zeer nauwgezet bekend stond, liet de trein echter stopzetten en maande B. uit te stappen. Deze weigerde en gaf de conducteur een klap, waarna een vechtpartij ontstond.

Na enkele minuten leek B. het onderspit te delven. Hij lag op de grond; Van der Meulen zat naast hem op zijn knieën terwijl hij zijn belager vasthield. Volgens B. probeerde de conducteur hem te wurgen. Twee passagiers die op het lawaai afkwamen, zagen dat B. een mes pakte en steekbewegingen maakte. Nog voordat de hoofdconducteur overeind kon komen, zakte hij ineen. Passagiers die hem zagen vallen dachten aan een hartaanval en pasten mond-op-mond-beademing toe tot een ambulance arriveerde. B. zei dat er ook politie moest komen.

Op het perron riep hij de aankomende agenten toe dat hij de conducteur had neergestoken. “Ik dacht dat ik hem in de maagstreek had geraakt”, aldus B. “Was het uw bedoeling de conducteur in de maagstreek te steken?”, wil rechtbankpresident mr. W. van Gelder weten. B. weigert daarop te antwoorden, zoals hij op meer vragen een antwoord weigert te geven. In plaats daarvan leest hij een verklaring voor waarin hij zich slachtoffer zegt te voelen van de maatschappij en van een gerechtelijke samenzwering. De politie zou in de nacht voorafgaand aan het dramatisch voorval afluisterapparatuur hebben geplaatst in de woning van zijn ouders, aldus de verdachte. “Ik heb in een reflex gestoken, met voorbedachte rade”. Als de rechtbank wil weten wat hij met dat laatste bedoelt, blijft hij het antwoord opnieuw schuldig. “Ik heb de conducteur met opzet neergestoken. Ik was voor 100 procent toerekenbaar. Het psychiatrisch rapport is vals.”

Zijn advocaat, mr. T. Wolters, verklaart dat “hoe hard het misschien ook klinkt” de conducteur min of meer door “een toevalstreffer” is geraakt die uit de worsteling voortkwam. “B. heeft de sterke behoefte om zaken onder controle te hebben. Zijn daad kan verklaard worden uit het onverwachte. Hij was gewend dat er een bon voor hem werd uitgeschreven.” Een lange celstraf acht Wolters niet wenselijk, omdat de kans op een succesvolle behandeling daardoor afneemt. Hij vraagt directe opname in een tbs-kliniek. Uitspraak 7 november.

    • Karin de Mik