Slapen

Het bed is de plaats waar wij het dichtst bij elkaar zijn en ons, in de slaap, het verst van elkaar verwijderen. Slapende lichamen zoeken elkaar soms, met een arm die niet goed raad weet, een hand die mistast, lippen die onverstaanbare woorden stamelen en een enkele keer, als bij toeval, in een heel kostbare kus aan zekerheid winnen. Meestal stoten lichamen elkaar in de slaap af om ruimte te scheppen voor de diepe verrukking waarvan zij zijn vervuld en die onmededeelbaar is. Er is niets waarmee wij, in zijn volstrektheid, zo eenzelvig bezig zijn als met slapen. Dat wij het doodzijn ermee vergelijken is het gevolg van de eenzelvigheid die de dode ons voorspiegelt en waarom wij hem, als wij eerlijk zijn, benijden. Alle andere eenzelvigheid lijkt op slapen: lezen, staren, tellen, wandelen (en hoe vaak wandelen wij niet ook in onze slaap?) of zelfs werken, wanneer wij niet weten dat anderen ons gadeslaan. Onder alle omstandigheden is er in ons een deel van ons dat slaapt, een innerlijke vorm die onder een warme vleugel schuilt.

Van sommige gezichten zeggen wij dat zij een slaperige uitdrukking hebben. Een bepaalde slaperigheid noemen wij dromerigheid, een dromerigheid die kinderen en vrouwen mooier maakt, zoals traagheid sommige bewegingen verfraait, of fluisterende lippen een grotere ruimte kunnen aanduiden dan luide. De slaap bevrijdt ons van onze beperktheid, doet de dwang van gebaren en bewegingen, waarin wij gevangen zijn, teniet en geeft ons een vrijheid waarbij het lichaam kan stilliggen en niets doen dan diep liberaal ademen. Slapende lichamen lijken op afgevallen bladeren, bloeiende bomen, stromend water dat zichzelf gelijk blijft. Slapende keren wij terug tot wat wij zijn geweest, spelenderwijs worden wij weer kinderen.

Anderzijds is de mens het enige wezen dat ook werkelijk wakker kan zijn, want het dringen van de natuur, het drijven van de wolken, de val van het zonlicht, de architektuur van onze steden, de schijnbare stelligheid van onze landschappen, onze muziek, onze boeken - alles is in een diepe slaap begrepen waaruit het door ons zienderogen moet worden gewekt. Zelfs dieren zijn nooit helemaal wakker, en gelukkig maar. Zij handelen op grond van een onnaspeurbare toverspreuk die hun in de slaap van hun soort en geslacht is ingegeven. In de dierentuin komen wij tegenover een uitgebreide verzameling dierlijke slaperigheid te staan. Het is misschien niet toevallig dat apen ons het wakkerst voorkomen.

Eerst sliep de mens waarschijnlijk, evenals het dier, op een beschutte plek in de natuur (de alles omarmende moeder), in een holte met bladeren en droog gras. Hij legde zijn hoofd op een steen of een stuk hout. Het bed is ook nu nog een schuilplaats, het klokhuis van een woning. Wanneer wij van een huis schil of bolster afpellen, stuiten wij op die verborgen kern, de schelp of hoorn waarin wij ons, naakt of spaarzaam bekleed, terugtrekken om tot onszelf te komen. Deze eenzaamheid laat geen droefenis of bitterheid achter, tenzij wij zo ziek zijn of zo levensmoe dat het ontwaken een ontgoocheling wordt. Wij slagen er niet altijd in ons onze dromen te herinneren, maar de herinnering aan onze slaap blijft ons telkens weer bij als een in zichzelf rustende koestering. Wanneer een boom of een water er ooit in zouden slagen wakker te worden, zouden zij zich, zoals wij, hun leven herinneren als de weerspiegeling van een droom.

Slapen is het enige dat wij kunnen wanneer wij geboren worden. Al het andere moeten wij leren. Wij moeten ook leren onze slaap te beteugelen en aan te passen aan de veelvormige begoocheling van het leven. In die leerschool gaat een deel van onze onschuld verloren. Een volwassene slaapt zelden zo volkomen en met een zo hartstochtelijke losbandigheid als een kind dat in zijn slaap nog zijn speelsheid ten toon spreidt. Weinig dingen zijn zo aanminnig als een slapend kind van wie wij de deken omslaan, zodat onze lieveling zich aan ons onthult als een blozende, ogenblikkelijk rijpende vrucht.

    • Adriaan Morrien