Psalmen 3

Enige kanttekeningen bij Maarten 't Harts kostelijke beschouwing "Wil naar mijn smeekstem horen' (CS, 11-10-91).

Nijhoff heeft zich volgens 't Hart vergist toen hij met de regel "Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren' zijn gedicht "De Moeder de Vrouw' afsloot. Die regel is een onnavolgbare samenvatting van de essentie van de psalm als geloofslied: het loven van God en de zekerheid dat hij de mens "bewaart'. Dat Nijhoff zich zou hebben vergist in het onderscheid tussen psalmen en gezangen is erg onwaarschijnlijk. Ten eerste; de regel "Prijs God, Zijn hand zal u bewaren' komt ook in geen enkel gezang voor. Ten tweede: 't Hart memoreert verderop in zijn artikel dat Nijhoff behoorde tot de dichters die de nieuwe berijming voor het Liedboek hebben gemaakt ("een aantal protestantse dichters plus Martinus Nijhoff', zegt 't Hart, een rare formulering, waarom niet "onder wie' in plaats van "plus'?). Bovendien kan 't Hart in Nijhoffs Gedachten op Dinsdag, een verzameling kritieken die Nijhoff in de jaren dertig voor de NRC heeft geschreven, een prachtig kort essay over de psalmen aantreffen. Zou dié man het verschil tussen psalmen en gezangen niet hebben gekend?

Ten slotte die moederfiguur. Nijhoff schreef, de schippersvrouw aan 't roer gezien hebbende: "O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer', een aangrijpende, uiterst emotionele regel die mijn al vermelde tranen bij de slotregel voorbereidt. Vervang die regel door bijvoorbeeld "Het was of daar mijn eigen moeder voer', maar zoiets lelijks en triviaals kwam Nijhoff natuurlijk niet uit de pen. Evenmin wenste hij te kiezen voor de goedkope en gemakzuchtige oplossing van het citeren van een al bestaande psalm: zoiets doet een groot dichter niet, hij schept zelf iets dat heel goed een indrukwekkende psalm had kunnen zijn. Nijhoff vergeleek zijn moeder de heilsoldate absoluut niet met die schippersvrouw, hoe komt 't Hart daar nu toch bij?

Voor mij is Nijhoffs fameuze sonnet een oecumenisch gedicht avant la lettre, waarin op geraffineerde wijze een soort protestantse Mariafiguur aan boord is gekomen als grote verzoenster van "twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden' en waartussen een leger pontifexen een (nieuwe) brug heeft geslagen.

Nog een aanvulling op de Psalm 119-anekdote. Een jaar of zestig geleden doceerden op de toenmalige Chr. H.B.S. in Leiden twee leraren De Bruijn, geen familie van elkaar. De ene was heel lang, de andere (wijlen mijn schoonvader) heel klein van stuk. De leerlingen noemden hen Psalm 119 (88 verzen) en Psalm 117 (2 verzen).

    • Jan Zitman