Ongelukkig - maar niet ongelukkig genoeg; Ierland ontdekt Samuel Beckett

Twee jaar na zijn dood is de belangstelling voor Samuel Beckett groter dan ooit. Ierland eerde hem deze maand met een ambitieus festival, het komende jaar is er een dergelijk evenement in Den Haag, daarna volgt Antwerpen. De Beckett-hausse leidt ook tot een groeiend aantal bewonderaars, die hun leven in dienst stellen van de schrijver. Niet iedereen is daar gelukkig mee: “De Beckettianen doen veel kwaad, ze moeten in toom worden gehouden.”

Ierland heeft zich aan Samuel Beckett nooit veel gelegen laten liggen. Hij stond er bekend als een "moeilijke' schrijver die niet alleen de wijk had genomen naar Frankrijk maar ook, merkwaardig genoeg, een deel van zijn werk in het Frans publiceerde. Hoewel hij zelf zorgde voor Engelse vertalingen, bleef de belangstelling in zijn geboorteland beperkt.

Nog geen twee jaar na Becketts dood is de situatie radicaal gewijzigd. Zijn geboortestad Dublin, tot eind december nog de culturele hoofdstad van Europa, plaatste hem de afgelopen weken met het nodige aplomb op een voetstuk. Hij werd er gehuldigd als een toonaangevend schrijver: "a giant of world literature' wiens boeken en toneelstukken, naar men inmiddels heeft vastgesteld, een onmiskenbaar Iers stempel dragen. Beckett-banieren sierden de straten, boekhandels hadden etalages over hem ingericht en in O'Connell Street, het hart van de stad, prijkte zijn naam op een gigantisch aanplakbord waarnaast affiches voor een serie Sinatra-concerten kleintjes afstaken.

Dit alles moest de aandacht vestigen op het drie weken durende Beckett-festival, het eerste evenement van deze omvang ter wereld dat aan een hedendaagse schrijver was gewijd. Het programma vermeldde opvoeringen in het zestig jaar oude Gate Theatre van al zijn toneelwerken: negentien korte en lange stukken, variërend van zijn theaterdebuut Waiting for Godot (1953) tot het nog geen minuut durende Breath (een vuilnishoop waaruit een zucht klinkt) en zijn laatste stuk What Where (1983). Daarnaast zond de Ierse omroep RTE zijn radio- en tv-spelen uit, voor een groot deel in versies die door Beckett zelf waren geregisseerd.

Een deel van het festival speelde zich af in Trinity College, de universiteit waar hij korte tijd een door vrouwelijke studenten bewonderde maar weinig toeschietelijke docent Frans was. Zestig jaar nadat hij het naar zijn idee saaie, provinciale Dublin de rug had toegekeerd, bewees Trinity haar verloren zoon alle eer met tentoonstellingen, video-presentaties en lezingen. Bovendien was er een symposium waar voormannen van de snel groeiende groep Beckett-deskundigen (ook wel Beckettianen genoemd) de toon aangaven. Negen dagen lang boog het internationale gezelschap zich over thema's als Beckett and the Sister Arts, Beckett's Legacy en Women in Beckett.

Tot de festivalgasten behoorden tien Nederlanders die bezig zijn met de voorbereiding van een eigen Beckett-festival, in april 1992 te houden in Den Haag. Daarmee hebben ze een ruime voorsprong op Antwerpen dat, aangestoken door de plotselinge Beckett-hausse, pas een jaar later iets dergelijks op touw zet. De zware Nederlandse delegatie stond onder aanvoering van de Haagse loco-burgemeester Ans van den Berg (tevens wethouder voor kunstzaken en financiën) en burgemeester Van Lier van Vlaardingen, voorzitter van de stichting die het festival organiseert. Nadat nog maar nauwelijks voet op Ierse bodem was gezet, werden de notabelen ontvangen door de Lord Mayor van Dublin, voor deze gelegenheid omhangen met de gouden ambtsketen die zijn stad kreeg van William of Orange (koning Willem III alias King Billy, nog altijd herdacht in de namen van rokerige Ierse cafés). In gezelschap van vertegenwoordigers van de Ierse kunstwereld volgde later een diner bij de Nederlandse ambassadeur, waar de namen van de gerechten (Godot's Soufflé, Soupe à la Krapp, Endgame etc.) onderstreepten dat men hier met ingewijden onder elkaar was.

Afgewezen

Ook de rest van het werkbezoek was in stijl. Tijdens enkele uren van aangepaste sightseeing trachtte Ruud Hisgen, initiatiefnemer van het festival, de wethouder duidelijk te maken dat Dublin een stad is met een rijke literaire historie. Terwijl meer dan eens de namen vielen van Swift, O'Casey, Yeats en Shaw, wees hij op een bescheiden beeldje van James Joyce tussen de bomen van St. Stephen's Green (een geschenk van American Express), het vroegere Finn's Hotel waar de vrouw van Joyce werkzaam was, het geboortehuis van Oscar Wilde en, na nog enkele andere bezienwaardigheden, het pand waar de jonge Samuel Beckett op de hoogste etage, boven het kantoor van zijn vader, zijn 42 maal afgewezen roman Murphy schreef.

De tocht voerde tenslotte naar de donkerbruine bibliotheek van Trinity College, een tot aan het hoge plafond met boeken volgepakte zaal die Beckett nogal eens zal hebben bezocht toen hij van 1923 tot 1927 Frans en Italiaans studeerde. Vlakbij het 1100 jaar oude Book of Kells, de trots van Ierland, lagen daar handschriften van hem uitgestald: de tekst van een afgekeurd toneelstuk in een schoolschrift met ruitjespapier, een geschrapte scène uit Endgame (1953) vol wonderbaarlijke tekens en krabbels in de kantlijn, een al evenmin opgevoerde toneeltekst voorzien van een bewegingspatroon voor twee spelers (moeder en zoon). Verder de volgepende notitieboekjes die Beckett gebruikte toen hij in het Berlijnse Schiller Theater de regie deed van Warten auf Godot en Glückliche Tage (Happy Days); ernaast de aantekeningen die herinneren aan zijn samenwerking in het Londense Royal Court Theatre met Billie Whitelaw, zijn favoriete actrice wier talent hem aanzette tot het schrijven van de stukken Footfalls en Rockabye.

Maar het omgekeerde kwam vaker voor. In een expositieruimte van Trinity was te zien hoezeer het werk van Beckett, de schrijver over het ongeluk van leven en dood, anderen inspireerde. Er waren gravures van Jasper Johns en Avigdor Arikha, schetsen van Brian Bourke en etsen van Louis le Brocquy bij Becketts laatste werkstuk, Stirrings Still: een tekst over een oude, eenzame man die, zittend aan tafel, het woord dat hij zoekt voelt wegglippen terwijl hij zich voorstelt nog eens, zoals vroeger, door de Wicklow Mountains te wandelen. "No matter how no matter where.- Time and grief and self so-called.- Oh all to end', zo luiden de laatste regels. Alsof het erom ging deze woorden te accentueren, hing aan de overzijde van de grijze zaal een reeks geleidelijk vervagende portretten van Beckett. Le Brocquy maakte ze in 1989, kort voor de dood van de toen 83-jarige schrijver.

Ambitie

Maar de Nederlandse missie had meer aan het hoofd dan Samuel Beckett. Gezien de ambitie van Den Haag binnen afzienbare tijd te promoveren tot culturele hoofdstad van Europa, wilde men zich informeren over de ervaringen die Dublin in deze positie opdeed. Lewis Clohessy, coördinator van "Dublin 1991', hield voor wethouder Van den Berg een bemoedigend betoog: wijzend op de lijst activiteiten stelde hij vast dat er ook met bescheiden middelen nog wel iets mogelijk is. De toelage van de staat was beperkt gebleven tot 1,25 miljoen pond van de National Lottery (circa 4 miljoen gulden), maar inclusief de extra budgets van verschillende instellingen en het sponsorgeld kwam hij tot een totaal van 16 miljoen. Het is nog altijd weinig vergeleken met de 50 miljoen die Glasgow afgelopen jaar kon besteden, gaf hij toe, maar genoeg voor een behoorlijk festival. Ten aanzien van de sponsors had Clohessy nuttige tips: bedrijven die men aanmerkte als mogelijke "grote gevers' kregen een uitnodiging voor de lunch, "kleine gevers' (minimum-donatie 5.000 pond) kwamen op het ontbijt en allen werden met overredingskracht toegesproken. Deze aanpak leverde meer dan twee miljoen pond op.

Opwekkende woorden waren er ook voor de organisatoren van het Nederlandse Beckett-festival. Hun Ierse tegenhanger Michael Colgan, directeur van het Gate Theatre, ziet hun initiatief als een goede gelegenheid revanche te nemen voor het gezichtsverlies dat werd geleden toen Beckett in 1988 opvoering van zijn stukken in Nederland verbood. Het later weer ingetrokken besluit was een reactie op een versie van Wachten op Godot, waarin de vier personages tegen zijn bedoeling in werden vertolkt door vrouwen. Een rol hierbij speelde misschien dat hij toch al geen hoge dunk had van het Nederlandse toneel. Toen hij in 1953 vernam dat er ook in ons land een voorstelling van Godot was te zien, schreef hij volgens zijn biograaf Deirdre Bair aan een vriend: “Can't bear to think what that was like.” Het ging hier overigens om een produktie van Toneelgroep Theater, die in Arnhem wegens vermeende obsceniteit (er is onder meer sprake van een erectie) alleen geschikt werd geacht voor opvoering in besloten kring.

Na deze valse start kreeg Samuel Beckett, mede dank zij de vertalingen van zijn vriendin Jacoba van Velde, in Nederland veel weerklank. Zoals elders werd hij erkend als een vernieuwer van het naoorlogse toneel die, naar later bleek, van grote invloed was op Harold Pinter, Heiner Müller en Thomas Bernhard. Toch was zijn aanhang voornamelijk afkomstig uit wat men de intelligentsia noemt. Elders was dat niet anders, maar Michael Colgan wil daar snel verandering in brengen. “Men heeft nog altijd een te eenzijdige visie op Beckett”, hield hij de Haagse bezoekers voor. “Bij zijn dood schilderde zelfs de BBC hem louter af als een schrijver van sombere, pessimistische stukken die zijn personages bij voorkeur op een vuilnishoop plaatste. Het is hoog tijd dit beeld te corrigeren. Ons festival moet duidelijk maken dat hij ook hartstochtelijk, clownesk en bewogen is: een schrijver voor het volk die stem geeft aan minder bedeelden en verdrukten. Vandaar dat we voor hem adverteren op de televisie en op reclameborden waar anders de namen op prijken van Steven Spielberg en Andrew Lloyd Webber.”

Parasiteren

Beckett-liefhebbers van de oude stempel kijken daar vreemd tegenaan, heeft Colgan gemerkt. “Maar voor dat soort moet je oppassen”, vindt hij. “Zijn geleerde bewonderaars richten veel schade aan: ze parasiteren op hem en analyseren zijn teksten kapot. Zolang Beckett leefde, had hij veel last van ze; sommigen van hen zagen er niet tegenop zijn huis op te zoeken en bij hem aan te bellen. "Je moet ze van je afhouden', heb ik wel eens tegen hem gezegd. "Wat kan je eraan doen?', antwoordde hij, "zo zijn de mensen nu eenmaal'. Intussen hebben ze er met z'n allen voor gezorgd dat Beckett te boek staat als een sombere en ondoorgrondelijke schrijver, een reputatie die velen schrik inboezemt. Om die reden vind ik dat de Beckett-academici in toom moeten worden gehouden.”

Daarvan is het tot nu toe niet gekomen. “Beckett wordt op het ogenblik in veel landen druk bestudeerd”, weet dr. Marius Buning, die aan de Vrije Universiteit twintigste-eeuwse Engelse literatuur doceert. Het verbaast hem dan ook niet dat het, zoals hij zegt, storm loopt voor het symposium tijdens het Haagse Beckett-festival; enkele weken geleden hadden zich al 111 sprekers aangemeld. Buning is voorzitter van de Nederlandse Beckett Stichting, een nog prille tak van een wereldwijde beweging die vooral in de Verenigde Staten goed gedijt. Een probleem is wel dat de meeste Beckett Societies niet rijk zijn, althans vergeleken met de al langer bestaande Joyce Societies die delen in de opbrengst van Ulysses. Maar tussen de twee groeperingen bestaan ook verschillen in cultuur, aldus Buning in het door beide schrijvers veelbezochte koffiehuis Bewleys. Adepten van Joyce zijn over het algemeen werelds, vrolijk en extravert, stelt hij, de aanhangers van Beckett daarentegen bescheiden en wat stiller van inslag. “Sommigen van hen ontpoppen zich als discipelen die iedereen willen vertellen hoe geweldig zijn werk is. Tot deze gedreven evangelisten behoort zijn vroegere Engelse uitgever John Calder, die zelfs zijn levensstijl aanpaste aan die van Beckett. Hij is nu soberder en heeft een pessimistischer humor dan vroeger het geval was. ”

Opvallend is dat de Beckettianen in Frankrijk, het land waar de toen 32-jarige Ier zich in 1938 vestigde, de laatste tijd weinig van zich laten horen. In de cafés van Dublin en op ontvangsten deed de theorie de ronde dat hun belangstelling is getaand nu de Ierse tak van de internationale Beckett-beweging een succesvolle poging onderneemt de schrijver en zijn nalatenschap toe te eigenen. Een belangrijk ijveraar voor de "veriersing' van Beckett is Eoin O'Brien, auteur van The Beckett Country. In dit boek geeft hij aan dat veel van wat in diens werk surrealistisch lijkt zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid. Verschillende boeken en toneelstukken, verzekert hij, zijn gesitueerd in Dublin, Waiting for Godot waarschijnlijk in de groene heuvels daarbuiten en een belangrijk deel van Krapp's Last Tape bij de haven van Greystones, het dorp waar Becketts ouders liggen begraven op een kerkhof dat uitziet op de zee. Hoe zou een Fransman ooit de Ierse humor, het pathos en de voor dit land kenmerkende cadans in de dialogen kunnen herkennen, zo citeert O'Brien een van Becketts vrienden.

Zwartgallig

De Nederlandse kenners, vereend in Dublin, sloten zich eendrachtig bij het Ierse kamp aan. Marius Buning: “Net als in Frankrijk is Beckett in Nederland lange tijd beschouwd als een absurdist en een existentialist, een moderne Pascal; niet voor niets legt de oudere generatie de klemtoon op de laatste lettergreep van zijn naam. Er was weinig oog voor zijn andere kant, die in sommige opzichten doet denken aan Joyce: beiden waren geobsedeerd door taal en gaven in hun werk blijk van een zwartgallige humor die is geworteld in de Ierse literaire traditie.”

Ruud Hisgen: “Ik heb me er vaak aan geërgerd dat veel Nederlandse Beckett-voorstellingen zwaar en pretentieus van opzet zijn. Zo werd Breath eens driemaal achter elkaar uitgevoerd, waardoor er een bijna religieuze betekenis aan werd toegekend. Zoiets is onnodig en doet vergeten dat zijn boeken en toneelstukken ook speels, licht en geestig zijn.” Toch zegt Hisgen het naoorlogse werk van Beckett te beschouwen als een moderne versie van Dante's Divina Commedia, het boek dat bij het bed van de schrijver lag toen hij stierf. De figuren uit zijn stukken, soms namen dragend uit het oeuvre van Dante, verkeren volgens Hisgen in het vagevuur waar zij wachten op de verlossing die uitblijft. Gezien deze opvatting was het plan aanvankelijk het Nederlandse festival te houden onder de noemer De goddeloze komedie, maar dit idee stuitte op weerstand. De titel was te beperkend voor een programma dat - naast Becketts stukken - een tentoonstelling in het Gemeentemuseum, concerten door het Schönberg Ensemble, een nieuw ballet van Jiri Kylian en een symposium zal omvatten.

Een goed voorteken voor het festival was de eensgezindheid die de Nederlandse Beckett-delegatie in Dublin aan de dag legde. Ook in het Gate Theatre, waar het gezelschap in bijzijn van Becketts neef Edward in twee dagen tijd zes korte en twee lange stukken zag, was men het grotendeels eens over het gebodene. De nieuwe versie van Godot met Barry McGovern kreeg unaniem de hoogste lof en ook Happy Days (een vrouw prijst het leven terwijl zij verder wegzakt in een hoop aarde) vonden allen boeiend, al was er een enkele Hagenaar die in de oververhitte zaal even knikkebolde.

Verschillen van inzicht kwamen pas aan het licht bij Rockabye en vooral Not I, een stuk waarin alleen de "blubbering mouth' zichtbaar is van een Ierse vrouw die, geflankeerd door een druïdische figuur, in een duizelingwekkende monoloog terugblikt op haar leven. De rekkelijken onder de Beckettianen waren blij dat zij nu eindelijk eens de tekst hadden kunnen verstaan, maar de preciezen wezen de vertolkingen van respectievelijk Maureen Potter (een music hall-artieste) en Adele King resoluut af. Het langzame tempo en de nadrukkelijke stijl vormden een inbreuk op het oorspronkelijke concept, zo had de auteur het zeker niet bedoeld. Ook over Act Without Words I liepen de meningen uiteen. Sommigen vonden het een verrukkelijk stukje mime, anderen reageerden in de trant van de Engelse criticus Kenneth Tynan: "Ik heb niets tegen de opvatting dat het leven zinloos is', schreef hij indertijd, "maar ik wil haar niet verkondigd zien door een mummie.'

De gelederen sloten zich weer bij Rough for Theatre I (1976), een fascinerende ontmoeting van een invalide en een blinde muzikant, die de situatie waarin Becketts figuren verkeren pregnant samenvat: “I'm not unhappy enough. That was always my unhap - unhappy, but not unhappy enough.” Het is een zin die nog eens aantoont dat Samuel Beckett, zoals Jac Heijer in zijn necrologie van de schrijver opmerkte, ongehoord geestig was. Hoe kon het ook anders? In Endgame, zijn favoriete stuk, zegt een van de figuren; “Nothing is funnier than unhappiness...it's the most comical thing in the world.”

    • Paul Hellmann