Morgen zal ik hem te voorschijn wachten; Bescheiden en veeleisend debuut van Marie Kessels

Marie Kessels: Boa. Uitg. De Bezige Bij, 152 blz. Prijs ƒ 27,50.

Onlangs liet de gezinssociologe Iteke Weeda zich in Vrij Nederland geringschattend uit over het huwelijk. Volgens haar had dit instituut zijn langste tijd wel gehad. Het beeld van twee oude mensen die, na een levenlang samen, hand in hand op een bankje zitten, kon haar allerminst bekoren. ”Je zou bij die mensen eens moeten doorvragen', sprak zij streng. En met onnavolgbare logica voegde zij eraan toe: ”Zij hebben de waarde van het leerproces dat een scheiding is niet leren kennen.' Een flinke hoeveelheid ”persoonlijke groei' zouden deze onwetenden daarmee misgelopen hebben en daarmee diepere inzichten. In Weeda's ogen leidt de alleenstaande een respectabeler bestaan dan degene die zich aan een ander uitlevert.

Zij zal dan ook maar matig ingenomen zijn met de debuutroman Boa van Marie Kessels, over een vrouw alleen. In plaats van een fleurige en opgewekte alleenstaande met een netwerk van vriendinnen om zich heen, voert Kessels een eenzame dame op die zich bij gebrek aan liefde wel eens moet behelpen met een boa van zachte veertjes. Zij piekert heel wat af en smacht naar die ene man, die Do heet. Hij is het prototype van de dominante man, die weet hoe het hoort en die van zijn bijslaap geen tegenspraak duldt.

Opmerkelijk is het - en dat zou Iteke Weeda weer wat milder kunnen stemmen - dat Marie Kessels bij al dat getob een trefzekere en eigenzinnige toon aanslaat en daardoor helemaal niet de indruk wekt een beginneling te zijn. ”Huilen is moeilijk in de zomer', zo luidt de frisse openingszin van een hoofdstuk vol tranen en verdriet. Een ander hoofdstuk waarin allerlei huiselijke ellende wordt opgedist, zet in met een al even plompverloren en montere mededeling: ”Vraagt iemand onverwachts naar mijn adres, dan weet ik het goede antwoord niet. Kom, denk ik koortsachtig, hoe heet die straat ook al weer, en dan wil ik alle straten waar ik heb gewoond en alle huisnummers tegelijk noemen, behalve de straat en het nummer van nu.'

Hier en daar doet Boa denken aan De wetten van Connie Palmen. In beide romans wordt ervan uitgegaan dat ”de' wereld een mannenwereld is en dat een vrouw leermeesters nodig heeft om iets te kunnen bereiken. Ze heten in dit geval niet astroloog, fysicus, priester of filosoof, maar bioloog, politicus, rechter en musicus. De belangrijkste overeenkomst tussen de twee hoofdpersonen is wel, dat zij zich allebei op het schrijven toeleggen, zij het ook ieder met een eigen oogmerk. Wat voor de Maria van Palmen een soort examen is om toegelaten te worden tot de wereld, dat is voor de Meg van Kessels juist een manier om zich aan de tentakels van de wereld te onttrekken. Zij wil geen schrijver wórden, zij s het al, uit pure noodzaak. De taal is haar fort en vormt haar enige, zij het ook wankele bestaansgrond. Het jongetje in haar, zo benoemt zij het vermogen om zich uit te drukken. ”Plotseling schiet dan de taal los, ja, in een ogenblik van grote euforie, waarin ik iedere keer moet denken aan de schok waarmee de appel uit de keel van Sneeuwwitje schiet, begint de taal te stromen, en mét de taal ontplooit zich de ruimte, het vergezicht, het perspectief. De duisternis wijkt, de handpalmen en de vingertoppen herinneren zich weer hun vermogen om te strelen, ik ben ziek als een hond en het kan me niets schelen. Joehoe, roep ik, ik lééf. En roze en fier stuif ik weg om mijn talenten te verspillen: het jongetje ravot.'

Hanepoten

Boa is een indrukwekkende en ondanks alle ellende ook nogal geestige mengeling van zwakheid en kracht. Tegenover het ravottende jongetje stelt Marie Kessels ”het behaagzieke wijfje', dat alleen maar krassende hanepoten voortbrengt. ”Het heeft ogen als schoteltjes, het spitst alle oortjes, maar het luistert alleen naar totale nabijheid en het kijkt zonder begrip', zo wordt dit wijfje meedogenloos getypeerd. Het wijfje en het jongetje zijn de twee zielen in de borst van Kessels' hoofdpersoon.

Een ware uitstalkast van ongenoegens bracht zij in haar debuut bijeen. Er valt nauwelijks iets te verzinnen waaronder haar personage niet gebukt gaat. Zij heeft geen man, geen kind, zij voelt zich nutteloos, zij lijdt onder haar verleden, onder alle mogelijke angsten en vrezen en heeft een anorexia-achtige inslag. Haar gewaarwordingen zijn bij dit alles zo intens, dat elke peuleschil haar al te veel is. Bloemen die een onverwacht ”slaafse' aanblik bieden, rottend fruit, een onsmakelijk kauwende mond, appelklokhuizen, een stinkende vuilniszak, een pakje dat verstuurd moet worden; het zijn welhaast onoverkomelijke en groteske gebeurtenissen.

Er ligt in deze roman een flinke hoeveelheid schaamte opgetast. Schaamte over slapeloosheid, eenzaamheid, passiviteit en willoosheid; schaamte over het onvermogen om het leven naar eigen hand te zetten. Het bijzondere is dat die schaamte zich hier niet in verlegenheid hult of in een bedremmeld stilzwijgen. Zij wordt zo breed uitgemeten, in zulke hevige geuren, kleuren en beelden, dat zij vanzelf ook in haar tegendeel, in trots verkeert. Vrouwelijke passiviteit, in de gestalte van een altijd maar wachtende en lijdzame maitresse, gaat op ingenieuze wijze samen met een bepaald agressief te noemen vormkracht. Naar slappe zinnen is het lang zoeken in deze roman. Dit is een mooi voorbeeld van passieve agressie: ”Morgen zal ik hem te voorschijn wachten. Do.'

Nederig en egocentrisch, bescheiden en veeleisend, dat zijn zo de tegengestelde trefwoorden die je aan Kessels' debuut zou kunnen hechten. Of het feministisch is of juist niet zou ik niet weten, maar ik geloof niet dat het er veel toe doet. Het gaat hier om iets ruimers, om tegenstellingen als die tussen het individu en de wereld, het ik en de ander, droom en daad, verbeelding en werkelijkheid en tussen twee zielen in een borst. Met een prettig vaag begrip zou je het werkterrein van Kessels als ”het ongewisse' kunnen aanduiden.

Veel kwellingen uit het leven van alledag zijn hier terug te vinden, algemeen en existentieel geformuleerd. Zo is er een mooie passage over slapeloosheid, die ook voor kiespijn of liefdesverdriet op zou kunnen gaan. Of de slapeloze er in de praktijk iets aan heeft, valt te betwijfelen, maar hij zou zich er getroost door kunnen voelen. “Slaap heeft nooit bestaan, als je niet kunt slapen. Je herinnert je wel slapende nachten, als in een ander, vorig leven, waarmee je definitief hebt gebroken. Alleen met jezelf, loodzware materie plus een restje vernauwd bewustzijn (-), weet je dat niets vanzelf spreekt, het bestaan van anderen buiten jezelf niet, de komst van de verse dag niet - je sluit niet uit dat dit liggen liggen in het donker voorgoed zal voortduren. En met die gedachte moet je je verzoenen, kun je je niet verzoenen, moet je je verzoenen, verzoen je je, berustend.”

Veel berusting spreekt er overigens niet uit Boa. Voorlopig zijn het behaagzieke wijfje en het ravottende jongetje nog in een onverzoenlijke strijd gewikkeld.