Mijn jaarlijks kwalenoverzicht; Negende deel van Hans Warrens Geheim Dagboek

Hans Warren, Geheim Dagboek. Negende deel, 1971-1972. Uitg. Bert Bakker, 193 blz. Prijs ƒ 29,90.

In de zomer van 1971, wanneer hij al zo'n dertig jaar een dagboek bijhoudt, noteert Hans Warren dat hij overweegt zijn dagboek te verbranden. Het is een gedachte die hij zelf nauwelijks serieus neemt, want hij vervolgt: "Rechtvaardigen de hoogtepunten het gezeur? Als ik iets beteken mag ieder weten dat ik zelden op de toppen sta, meestal in het duister tast.' Ieder mag het weten: niet alleen zinspeelt Warren op de toekomstige pulikatie van zijn dagboek - het eerste deel verscheen tien jaar later, in 1981, in boekvorm - ook is hij de critici voor als het gaat om eventuele bezwaren tegen zijn levenswerk. Want zo mogen we zijn Geheim Dagboek inmiddels wel noemen. Warren moet regelmatig aan het belang van zijn notities hebben getwijfeld, maar de behoefte aan authenticiteit is sterker geweest. In het recent gepubliceerde negende deel, dat de jaren 1971-1972 bestrijkt, schrijft hij naar aanleiding van het dagboek van Paul Léautaud: "Een dagboekschrijver aan wie je je van tijd tot tijd niet geducht stoort, deugt waarschijnlijk niet. Hij zeurt over kleinigheden en kleinzieligheden, dubt over zijn gezondheid, voelt zich verongelijkt, draaft door over dingen die je niet interesseren, kortom hij laat je voordeur openstaan als 't koud is en je vindt zijn roos in je haarborstel.'

Volgens die opvatting deugt Warren als dagboekschrijver zonder meer. Ook hij laat zijn roos in flinke hoeveelheden in de haarborstel van de lezer dwarrelen, want zeuren gaat hem goed af. Maar dat zijn dagboek "één grote klaagzang' zou zijn, zoals hij zelf meent, is toch sterk overdreven. Als dat zo was, zou Warren constant intimiteiten prijsgeven, en dat doet hij niet. Wat bij de lezer vermoeidheid in de hand werkt, zijn juist die min of meer objectieve, ellenlange beschrijvingen van kunstvoorwerpen en historische figuren die ook in dit negende deel niet ontbreken. Nee, dan liever het "gezeur' over zijn nog altijd tobberige huwelijksleven en zijn gezondheid (beide jaren worden afgesloten met een amusant "jaarlijks kwalenoverzicht') of desnoods zijn vergeefse gehunker naar een "Sardijnse knaap'.

Na de kennismaking met deze Gianni, in juli 1972, steekt de ongebreidelde dweepzucht die we al kenden uit de vorige delen van het Geheim Dagboek weer de kop op. Tussen Warren en Gianni ontstaat een intieme vriendschap met een zekere erotische lading, maar erg overtuigd ten aanzien van de herenliefde lijkt de laatste niet te zijn. Warren maakt een rusteloze periode door, die geheel door zijn wisselende gevoelens voor Gianni wordt beheerst. Het is schipperen tussen twijfel, achterdocht en desinteresse, maar ook is er sprake van kracht en inspiratie. "Ik voel me in een vruchtbare levensfase: het lijkt me dat ik meer ruimte, meer voorland heb dan ooit', schrijft hij eind 1972.

Gordijntjes

In de tijd waarin half Nederland gehaakte gordijntjes voor de ramen gaat hangen en rommelmarkten afstroopt op zoek naar negentiende-eeuwse spullen en allerhande exotica, kan de romanticus Warren zich eindelijk een beetje thuis voelen. Over belangstelling voor zijn literaire werk heeft hij, nu het "irrelevant gebabbel' van Vijftigers en Zestigers geleidelijk uit de mode raakt, niet te klagen: hij krijgt de Zeeuwse prijs voor Kunsten en Wetenschappen, er wordt een tentoonstelling en een nummer van Maatstaf aan zijn persoon en werk gewijd, zijn Verzamelde Gedichten worden uitgegeven. De vriendschap met de veel jongere, in die jaren als zeer eigentijds te boek staande Gerrit Komrij en Charles Hofman wordt intenser en maakt dat de inmiddels vijftigjarige Warren zich, omgeven door hasjwalmen, jeugdig blijft voelen.

De flaptekst van dit deel van Warrens Geheim Dagboek mag ons dan "een tweede jeugd', "een nieuwe fase' beloven, in de praktijk valt dat nogal mee - of tegen. Zoveel verandert er niet ten opzichte van de voorafgaande tien, vijftien jaar. Het leven in Kloetinge gaat nog altijd z'n bedaarde gangetje, de huwelijksproblemen en de manier waarop Warren en zijn vrouw die het hoofd trachten te bieden zijn ook niet nieuw, evenmin als de innerlijke onrust waar de schrijver van tijd tot tijd mee worstelt. Deel negen is dan ook weinig verrassend en bevat genoeg saaie passages om je af te vragen of de door Warren bekritiseerde dagboekschrijver Cees Buddingh', die "schrijft om te publiceren, (...) bouwt aan zijn imago', daar nu werkelijk zo onverstandig aan deed. Aan de andere kant: een dagboekauteur die zegt zoveel waarde te hechten aan authenticiteit, valt een minder geslaagde episode in een als geheel indrukwekkende reeks nauwelijks aan te rekenen. Inderdaad, de hoogtepunten rechtvaardigen het gezeur.

    • Carolien Zilverberg