Het lelijke gezicht van de vrije markt

Armoede, dakloosheid en een gammele infrastructuur. Het communisme is ingestort maar geeft het Amerikaanse kapitalisme het verkeerde voorbeeld? De roep om meer overheidsbemoeienis klinkt steeds luider.

Als een Rus morgen voor het eerst in New York zou landen, zou hij zich afvragen wat er nu eigenlijk voor geweldigs aan dat vrije-marktstelsel is. Op straat zijn meer bedelaars en zwervers te zien dan in Moskou. De wegen zitten vol kuilen door het achterstallig onderhoud. Iedere dag springt er ergens in de stad een waterleiding die in negentig jaar niet meer is onderhouden omdat de stad geen geld had. Vorige week nog stond de ondergrondse onder het centrale station blank.

Na een paar dagen kranten lezen zal hij ontdekken dat het kapitalisme Amerikanen ook andere problemen heeft bezorgd. Dertig miljoen van de 250 miljoen Amerikanen leven in armoede, tachtig miljoen Amerikanen hebben geen ziektekostenverzekering omdat ze zich die niet kunnen veroorloven, het modale inkomen is de afgelopen tien jaar niet gestegen, het lager en middelbaar onderwijs is in de afgelopen twintig jaar niet verbeterd.

De vrije markten zelf leveren ook al geen opwekkend beeld. De luchtvaart werd elf jaar geleden gedereguleerd; passagiers praten niet over de zegeningen van vrije concurrentie maar klagen nu over de hoge tarieven, vertragingen en lange reistijden die worden gedicteerd door een handjevol oligopolisten. De spaarbanken werden in 1982 door de overheid vrijgelaten; het resultaat was een massale fraude die Amerikaanse burgers de komende tien jaar totaal zes honderd miljard dollar zal kosten.

Zelfs de financiële markten in New York lijken de vrijheid van het ongebreidelde kapitalisme niet aan te kunnen. Een paar jaar geleden rolde de Amerikaanse overheid een netwerk van oplichters op Wall Street op, en afgelopen zomer was het weer raak: de hele markt voor staatsobligaties bleek te worden gemanipuleerd door één van de belangrijkste handelaren.

Kortom, geeft Amerika wel het goede voorbeeld voor de Sovjet-Unie en de voormalige Oostbloklanden?

Amerikanen konden zich sinds de Tweede Wereldoorlog altijd voor hun tekortkomingen verontschuldigen door naar het vuige Sovjet-imperium te wijzen. "Het is altijd beter dan Communisme' was het argument. Die vlieger gaat nu niet meer op, en Amerikanen worden plotseling gedwongen hun interpretatie van het kapitalisme kritischer te bekijken.

Wat ze zien geeft hun een ongemakkelijk gevoel. Dat is te merken in de ontluikende campagnes voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar. “Ik geloof dat Amerikanen diep in hun ziel weten dat er iets vreselijk mis is”, zei Bob Kerrey toen hij deze maand aankondigde president te willen worden. Een andere kandidaat is Tom Harkin, een ongegeneerde volksmenner die vindt dat Amerika een ruk naar links moet maken. Een derde Democratische kandidaat, Bill Clinton, neigt meer naar conservatisme. Maar ook hij zegt: “Ik weiger deel uit te maken van een generatie die zowel de dood van het communisme viert als het verlies van de American dream.” Republikeinen appeleren op hun manier aan het nationale ongemak, door te hameren op “family values”, de Amerikaanse versie van “het gezin als hoeksteen van de samenleving”.

Zit Amerika op het verkeerde spoor? Zal kapitalisme zonder een dosis socialisme-Europese-stijl zichzelf ophangen, net zoals het communisme dat deed?

De eerste om die aan vraag aan te stellen is Bernard Sanders, Afgevaardigde voor de staat Vermont en de enige in het Amerikaanse Congres die zichzelf socialist noemt.

“We moeten onderscheid maken tussen autoritair communisme en economische prestaties”, zegt hij. “Iedereen ziet graag een einde aan een dictatuur, ook ik.” Maar zolang het Amerikaanse systeem twintig procent van Amerikaanse kinderen in armoe laat leven en veertien procent van de ouden-van-dagen, en zolang er twee miljoen daklozen zijn vindt hij dat Amerika geen recht heeft om zich op de borst te slaan.

“Zie ik een mogelijkheid dat de Amerikaanse economie ineen zal storten, net als de Sovjet-economie nu? Zeker. Weet ik dat zeker? Nee”, aldus Sanders.

Wil hij dan dat Amerika het socialisme omarmt? Die vraag ontwijkt hij. “Ik ben een gewone politicus die ervoor wil zorgen dat zijn mensen geen honger lijden,” is zijn antwoord. “Ik zou graag een meer gelijke verdeling van de gezondheidszorg zien, van huisvesting, van onderwijs. Als ik dat nog mag meemaken, zou ik al heel tevreden zijn.”

Pag 12:

De neergang van het pure kapitalisme

De meeste mensen die praten over de manier waarop Amerika het kapitalisme invult, laten zich leiden door de afgelopen tien jaar. Dat is begrijpelijk: de herinneringen liggen vers in het geheugen, en elf jaar Republikeins beleid heeft een waterscheiding gevormd met de jaren zestig en zeventig. Dat soort scherpe veranderingen helpt om meningen uit te kristalliseren.

Mensen als Sanders (en ook minder linkse politici) wijzen op alle bovengenoemde factoren: meer armoe, geen vooruitgang voor de middenklasse, geen geld voor investeringen in onderwijs of infrastructuur, etc.

Conservatieven wijzen op andere factoren. Michael Barone, auteur van de The Almanac of American Politics zegt: tussen 1980 en 1990 zijn twintig miljoen nieuwe banen geschapen, een toename van twintig procent terwijl de bevolking met tien procent toenam. Dat de inkomens niet zijn gestegen, zegt Barone, lijkt alleen maar zo doordat de inflatie-index ervan uitgaat dat ieder huis iedere maand opnieuw wordt gekocht. Die factor buiten beschouwing gelaten, zegt hij, is het inkomen per hoofd van de bevolking in de periode 1979-89 met zeventien procent gestegen, zegt hij.

Iedereen vergeet dat Amerika eind 1980 werd beheerst door lethargie, zegt Barone. De belasting in de hoogste inkomensschaal was zeventig procent en de theorie van de zero-sum society - groei kan alleen maar ten koste van anderen gaan - deed opgeld. Ronald Reagan doorbrak die spiraal, aldus Barone, samen met het beleid van de centrale bank die de inflatie de kop indrukte. De langste na-oorlogse expansie - dit keer zonder inflatie - was het gevolg.

Grosso modo is in de Verenigde Staten de intellectuele discussie beland op hetzelfde plateau als waarop de meeste Europese landen al sinds de Tweede Wereldoorlog debatteren. Kapitalisme is een goed fundament, maar het moet worden bijgeschaafd door overheidsinmenging. De vraag is: hoeveel?

Zoals het realistische betoog van Afgevaardigde Sanders illustreert is het discussieveld iets meer naar rechts opgeschoven dan in Europa: echte socialisten bestaan niet. Maar pur-sang kapitalisten zijn bijna even moeilijk te vinden.

“Er zijn nog wel een paar ideologen die volhouden dat puur kapitalisme de beste weg is”, zegt Charles Morris. “Maar de echte discussie gaat over de mate van overheidsinmenging, sociaal en economisch.” Morris is een Amerikaanse renaissance-figuur. Hij heeft gewerkt als directeur van het gevangeniswezen van de staat Washington, als directeur sociale voorzieningen van de stad New York, als bankier en als ondernemer. Hij is auteur van verschillende boeken, en heeft nu zijn eigen adviesbureau dat fusies en overnemingen analyseert.

“Wat is de juiste hoeveelheid overheidsbemoeienis in de economie?” vraagt Morris. “Niemand heeft daarop een antwoord.” Europa probeerde de chip-industrie te beschermen; het gevolg was dat er in Europa nu niet één chipfabrikant meer te vinden is die het kan opnemen tegen de Japanse fabrikanten. Ook Amerika brandt regelmatig de vingers aan dit soort overheidsbemoeienis. Onlangs is een importtarief gelegd op speciale LCD-beeldschermen uit Japan, om Amerikaanse fabrikanten te beschermen. Het probleem was dat er niet voldoende Amerikaanse fabrikanten waren, zodat uiteindelijk niet de Japanners maar de Amerikaanse kopers - IBM en Apple voorop - het slachtoffer werden van deze goedbedoelde overheidsactie.

Morris vindt dat de overheid zijn economische bemoeienis het beste kan beperken tot subsidie van onderzoek en ontwikkeling, steun in de zogenaamde “pre-competitieve” fase.

Maar als de overheid iedereen zijn gang laat gaan, krijg je dan niet catastrofes zoals met de gedereguleerde spaarbanken en luchtvaartmaatschappijen? Helemaal niet, zegt Morris. De spaarbanken zijn een perfect voorbeeld van overheidsregulering. Het Congres gaf de spaarbanken in 1982 weliswaar de vrijheid om hun geld naar eigen goeddunken te beleggen, maar beschermde ze tegelijkertijd door deposito's te garanderen - zodat spaarders en aandeelhouders vrijwel geen risico liepen en speculatie werd aangemoedigd.

Hetzelfde kan worden gezegd van de Amerikaanse luchtvaart, zoals het Britse weekblad The Economist deze week betoogde: de nadelen van de deregulering zullen verdwijnen als de overheid de markt écht vrij laat. Dat wil zeggen: armlastige maatschappijen over de kop laat gaan, en buitenlandse kopers toelaat.

De financiële markten hebben altijd excessen gekend, en dus moeten de schandalen rond Michael Milken en Salomon Brothers niemand verbazen. Een reden dat de jaren tachtig meer schandalen hebben laten zien dan normaal, is dat in die periode het Amerikaanse bedrijfsleven een massale herwaardering doormaakte. De onvermijdelijke revaluatie ging zo snel dat enorme winsten onvermijdelijk waren.

Ook in sociaal opzicht worstelt Amerika met de vraag of de overheid wel voldoende doet. Het grote aantal daklozen in de Verenigde Staten wordt door mensen als Sanders gezien als symbool voor het falen van de overheid. Maar het kan ook worden beschouwd als een illustratie van een andere werkelijkheid: je kunt economisch beleid niet los zien van het land waarin het wordt gevoerd. Het is een stuk makkelijker om in een homogene samenleving een sociaal beleid te voeren.

Charles Morris zegt dat hij dat heeft gemerkt: sociale voorzieningen die hij met succes in de staat Washington (waar 88,5 procent blank is) invoerde, werden in de stad New York misbruikt.

In de kleinere steden in Amerika, waar 75 procent van de bevolking woont, is dakloosheid niet zo'n probleem, zegt Morris, omdat daar veel meer consensus bestaat over hoe die problemen moeten worden aangepakt. Omdat de grote steden als New York zo divers zijn, durft niemand zijn eigen waarden op te leggen aan anderen.

Hij noemt het voorbeeld van een dakloze vrouw die midden op een drukke straat in Boston haar behoefte deed. Toegesnelde politie en verplegers stelden vast dat ze totaal verkleumd was, en namen haar op om haar lichamelijk en geestelijk te behandelen. Protesten van de vrouw leidden tot een rechtszaak, waarin de rechter zei dat de vrouw haar voorkeur had uitgesproken voor het dakloze leven, en dat de gemeente die wens moest respecteren.

Het gevolg is dat sociaal beleid in sommige steden en op landelijk niveau is verlamd.

Voor de ene Amerikaan zijn dakloosheid en economische ontwrichting tekenen van een falende overheid; voor de ander zijn dat de onvermijdelijke kosten van een overheid die individuen écht vrijheid biedt. Maar waarover iedereen het eens is, is dat in de jaren negentig de rol van de overheid weer zal toenemen.

Dat zou historisch gezien geen opmerkelijke gebeurtenis zijn. De Amerikaanse overheid trad in jaren twintig terug om de markt zijn gang te laten gaan; na de Grote Depressie volgde de interventionistische New Deal van Franklin Roosevelt.

Na de Tweede Wereldoorlog trad de overheid weer terug, tot aan John Kennedy, die op de lancering van de Spoetnik in 1957 reageerde met de oprichting van de NASA. De jaren zestig zagen een stortvloed van sociale programma's voor onderwijs, medische hulp en bijstand. Ronald Reagan werd ten slotte gekozen door Amerikanen die in de jaren zeventig genoeg hadden gekregen van alle overheidsbemoeienis.

Jeffrey Sachs, de Harvard-professor die in Oost-Europa de hogepriester van het kapitalisme is, vindt dat zijn eigen land zo langzamerhand wel weer toe is aan wat meer overheid. “De Oost-Europese landen zijn totaal verarmd, en de herstructurering van hun economieën moet voorrang krijgen boven sociale ambities,” zegt hij. “Maar een volwassen industriële samenleving kan en moet werkloosheidsuitkeringen over langere tijd verstrekken. (...) En wij kunnen ons ook een nationaal systeem van ziektekostenverzekering veroorloven.”

    • Michiel Bicker Caarten