ESSAYS VAN GUNTER DE BRUYN; Het schaamrood van vroeger

Gunter de Bruyn: Jubelschreie, Trauergesange. Deutsche Befindlichkeiten. Uitg. S. Fischer, 208 blz. Prijs f 44,80.

In de 'gouden' jaren vijftig, waarin onder luid trompetgeschal de 'antifascistische' DDR werd opgebouwd, kregen de bibliothecarissen in de steden en dorpen het geheime bevel alle 'pacifistische, kosmopolitische en decadente' lectuur naar de papiermolen te sturen. De schrijver Gunter de Bruyn, die destijds in een openbare bibliotheek te Oost-Berlijn werkte, had de boekverbrandingen uit het Derde Rijk nog vers in zijn geheugen. Met bloedend hart nam hij zitting in een commissie die op een correcte uitvoering van het commando moest toezien. Een fanatieker persoon dan hij zou nog groter onheil aanrichten, zo suste hij zijn slechte geweten, en een enkel boek van de zwarte lijst nam hij heimelijk mee naar huis.

Deze pijnlijke herinnering, oorspronkelijk verschenen in een Oostduits literair tijdschrift, is na te lezen in De Bruyns jongste essaybundel Jubelschreie, Trauergesange. 'Het schaamrood van toen wil nog steeds niet wijken', bekent hij, in december 1989. Dat heeft niets met masochisme te maken, maar des te meer met een bescheiden beschavingsoffensief: door zelf het goede voorbeeld te geven wil De Bruyn zijn collega-schrijvers ter verantwoording roepen voordat zij hun DDR-verleden voorgoed vergeten zijn. 'Niet harmonie is het doel, maar klaarheid', klinkt het bemoedigend in het titel-essay. Als schrijver heeft De Bruyn zelf weinig reden tot schaamte. De censuur wist zich dikwijls geen raad met zijn boeken vol speelse en uiterst intelligente ironie die allemaal om de vraag draaien 'in hoeverre je eerlijk kunt zijn in een maatschappij die het individu verhindert eerlijk te zijn'. Zijn hoofdpersonen zijn veelal wankelmoedige intellectuelen die hun wilde haren nog niet helemaal verloren hebben, maar die zich veiligheidshalve toch naar alle kanten indekken. In de roman Preisverleihung ( 1972) moet de literatuurdocent Teo Overbeck een lofrede op een boek van een bevriend schrijver houden. Te laat ontdekt Teo dat hij eigenlijk geen goed woord voor dit boek over heeft. Schrijvers die ter meerdere glorie van de Partij op een sokkel zijn gezet, mogen daar niet straffeloos vanaf worden gehaald; dat weet Teo en daarom is hij bang. De Bruyn geeft de tweeslachtigheid van zijn hoofdpersoon weer door hem met twee verschillende schoenen aan het podium te laten beklimmen - een weinig subtiele, maar effectieve symboolkeuze.

In de nieuwe essaybundel komt Heinrich Boll, aan wie maar liefst drie stukken zijn gewijd, naar voren als de mens en kunstenaar die De Bruyn zelf zou willen zijn. Boll was dan wel in de eerste plaats een criticus van de Bondsrepubliek, een 'nestbevuiler' volgens sommigen, maar van zijn onzelfzuchtige verzet tegen een gevoelloos en wat het naziverleden betreft vergeetachtig makend systeem stak De Bruyn veel op. Het zijn beide pedagogen van het zuiverste water, die met hun werk 'niet de mening van de dag, maar morele waarden' willen veranderen.

Parodieen

De Bruyn heeft nooit geloof gehecht aan de DDR-doctrine die luidt dat er twee gescheiden soorten Duitse letterkunde bestaan. Die stelling wordt volgens hem alleen al weerlegd door het feit dat een schrijver als Boll aan beide kanten van de Muur begrepen werd. Staten zijn vergankelijker dan literaire tradities: terwijl de DDR slechts een leven van veertig jaar beschoren was stopte de DDR-auteur Gunter de Bruyn in elk van zijn romans en verhalen een paar eeuwen Duitse literatuurgeschiedenis -- met behulp van citaten, verwijzingen en parodieen. En juist in tijden dat de druk van de staat op de DDR-burgers het sterkst was vond hij troost bij het idee dat er toch zoiets als een Duitse 'cultuurnatie' moest bestaan, een vredelievende, op humanistische leest geschoeide gemeenschap uit oost en west, waarin iedereen de gevoeligheden en kwetsbare plekken van de ander respecteert'.

Dat schrijft hij in januari 1990, ruim een half jaar voor de staatkundige eenwording, die hij juist en onvermijdelijk vindt: 'Ik deel niet de mening van veel van mijn vrienden dat je een dictatoriaal regime kunt vervloeken en zijn leiding kunt afzetten, het produkt van deze dictatuur echter het behouden en loven waard kunt vinden'. In de 'feestmaand' oktober verheugt hij, de schrijver, zich over het wegvallen van de censuur en de daarmee samenhangende psychische druk, maar hij constateert bij zichzelf en anderen nu wel een 'gevaarlijke leegte', waarin 'zorgen en angsten binnenstromen', veroorzaakt door de vele snelle veranderingen. 'Van de ene dag op de andere was de vertrouwde omgeving vreemd geworden'. Al met al blijft hij echter optimistisch. 'Overdreven nationalistische gevoelens' heeft hij nog niet geregistreerd en aan de nu terecht gekritiseerde arrogantie van de Westduitsers stoort hij zich nog niet; daarvoor kijkt hij zelf nog te veel tegen hen op.

Mede door die rare naiveteit is Gunter de Bruyn tot op zekere hoogte een typisch produkt van de DDR. Ook al geeft hij er een andere inhoud aan, toch gelooft hij, in 1990 althans, nog steeds in dezelfde zaken als zijn vroegere censoren, namelijk in de de opvoedbaarheid van mensen en de macht van literatuur. Dat, tezamen met zijn heldere stijl, maakt zijn werk voor de cynische westerling zo verfrissend.

    • Anneriek de Jong