De hoogste baas

Ted Hughes: Hoe Mus de vogels redde. Uitg. Querido, ƒ 21,90.

Op haar Persilwitte snuit heeft onze lapjespoes twee wonderlijk verdwaalde lichtbruine vlekken. Een kleine observator had de verklaring snel bij de hand: "Die is vroeger in een bak met hopjesvla geduwd.' Ondanks bijna anderhalve eeuw Darwin is het oerbeeld van een "vroeger' toen alles wat leeft zijn vorm kreeg onuitwisbaar. De verwondering over kamelebulten, giraffehalzen en de strepen van de zebra heeft de orale traditie van vele volken verrijkt met hoe- en waaromverhalen. De echo daarvan klinkt door in bijvoorbeeld Kiplings Just so stories (1902), waarin de schrijver zijn dochtertje uitlegt hoe de olifant zijn slurf kreeg en hoe de poes bij de mensen kwam. Omstreeks dezelfde tijd laat Selma Lagerlöf vogel roodborsts grauwe frontje kleuren door een druppel bloed van Christus' doornenkroon. In deze sfeer hoort de bundel Tales of the Early World (1988) van de Engelse dichter Ted Hughes, die zojuist in een glanzende vertaling van Rob Scholten verscheen als Hoe Mus de vogels redde en andere verhalen uit de vroege wereld. In tien verhalen neemt Hughes ons mee naar de tijd toen God een dagtaak aan het scheppen van de wereld had en er van een vrije zondag nog geen sprake was. Uit het niets - of eigenlijk uit de klassieke, beademde boetseerklei - ontstaan de kat, de papegaai, de vlo, het paard, de man en de vrouw. Leeuw en pauw ontsnappen als een soort ongelukje aan Gods handen. Hughes vertelt erover alsof het de opwindendste tijd aller tijden was, een tijd waarin niets nog af en alles nog mogelijk was, waarin er elke dag kans was op een wonder.

Centraal staat de figuur van de Schepper zelf. Scherp staat mij de visie van Peter Vos in het geheugen gegrift: een soort kruising tussen Sint Franciscus en John Lennon. In zijn prentenboek Zaterdag in het paradijs had Helme Heine duidelijk Claude Monet voor ogen en ik herinner me een Italiaanse poppenspeler, die de Heer als een zelfgenoegzame mafioso in roze maatkostuum neerzette. Bij Hughes is God een ambachtsman, een knutselaar, die handenwrijvend rondscharrelt in zijn buitengewoon wanordelijke werkplaats. Hoewel hij een kaars ontsteekt met een knip van zijn vinger en door zijn schepselen wordt gezien als de "hoogste baas', is niets menselijks hem vreemd. Zijn moeder kookt en veegt de boel aan, hij krabt zich op zijn kop, de vrouw is zijn "lievelingsuitvinding' en van zo'n groot werk als een olifant is hij doodmoe. Dat leidt tot een van de simpelste en daarmee mooiste verhaaltjes, waarin God - nog wat nafriemelend met het laatste flintertje olifanteklei - gedachteloos een slurfje leven inblaast, dat zijn verdere bestaan "vervuld van Olifantegedachten, Olifantehoop, Olifantedromen en Olifanteplannen' op zoek is naar de materie om de rest van hem af te laten maken.

Hughes heeft gevoel voor humor, een vloeiende, gedragen vertelstijl en is als dichter duidelijk op zoek naar de mooiste woorden. Soms leidt dat tot gekunsteldheid, zoals in de mythische, barokke passages, waarin God worstelt met de branding, om daaruit het eerste paard te voorschijn te brengen. Minder geslaagd vind ik ook de vertellingen met inhoudelijk te veel en te filosofisch getinte pretenties, zoals waar in de vorm van een onbegrijpelijk Zwart Gat en een onheilspellende Stem uit de Ruimte het kwaad gesymboliseerd wordt. Jeugdige lezers zullen het er niet gemakkelijk mee hebben. Het boek lijkt me bij uitstek geschikt om voor te lezen en de reacties eerst eens te peilen. Toch zal er met het isoleren van een of twee verhalen ook iets wezenlijks verloren gaan. Met zijn bundel als geheel creëert de schrijver namelijk net als zijn hoofdpersoon een eigen, nog niet door smog en zure regen aangetast universum. Overheersend daarin is de liefde voor alle levende wezens. De toewijding waarmee God bij de lijster "het liedje in het stemkastje' past, zijn bewondering voor de watersalamander en de vlo en zijn kinderlijke verrukking bij het zien van een dansende mus maken dat Hoe Mus de vogels redde meer dan enig pamflet van het Wereldnatuurfonds of Greenpeace het gevoel geeft dat we zuinig moeten zijn op de wereld. Omdat het zo'n geweldig werk geweest is om hem te maken.

    • Bregje Boonstra