CDA rammelt aan schoolwetten van 1917

Diverse CDA-politici hebben de laatste tijd aangedrongen op een lossere verhouding tussen overheid en onderwijs. De pacificatie uit 1917 staat echter een snelle decentralisatie van het onderwijs in de weg.

DEN HAAG, 25 OKT. Het was tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer, twee weken geleden. CDA-fractievoorzitter Brinkman maande het kabinet vaart te maken met decentralisatie in het onderwijs. Zelf deed hij alvast een verregaand voorstel. Alle gelden voor salarissen, huisvesting, materiaal, wachtgelden, ziekte, en wellicht ook voor de onderwijsverzorging zouden in een grote pot naar de schoolbesturen geschoven moeten worden.

Premier Lubbers reageerde prompt positief. “Dank u wel”, incasseerde Brinkman even direct. “Dat bespaart ons dan meteen de kostbare tijd van een nieuwe pacificatiecommissie.”

De leider van de CDA-fractie is niet de enige die dezer dagen rammelt aan de vele kettingen van wetten en regels waaraan het onderwijs sinds de pacificatie van 1917 vastzit. Er valt een hele reeks recente uitspraken op te tekenen van vooraanstaande CDA'ers die allemaal in dezelfde richting wijzen: de bestuurlijke en financiële verhouding tussen overheid en onderwijs moet eindelijk eens losser worden.

“Onderwijsbestuur is geen overheidszaak”, zei CDA-Tweede Kamerlid H. Hillen onlangs in het Katholiek Nieuwsblad. Dat moet volgens hem tot de conclusie leiden dat het openbaar onderwijs los moet worden gemaakt van de gemeente. Brinkman had iets dergelijks dit voorjaar al heel voorzichtig geopperd voor een congres van "identiteitsgebonden instellingen'.

Een ander CDA-Kamerlid, K. Tuinstra, stelde in het protestants-christelijk dagblad Trouw het roemruchte overschrijdingsmechanisme - ook wel aangeduid met het geval van "het gebroken ruitje' - ter discussie. Daarmee worden voor het bijzonder onderwijs dezelfde extra middelen uit de gemeentekas gegarandeerd als voor het openbaar onderwijs. Als het openbaar onderwijs los komt te staan van de gemeenten, is het overschrijdingsmechanisme ook niet meer nodig, aldus Tuinstra.

De nieuwe decentralisatie-drang op onderwijsterrein moet het CDA redden uit de defensieve positie waarin het zo langzamerhand verzeild is geraakt. Want hoe kan de partij enerzijds aandringen op “behoud en herstel van eigen verantwoordelijkheden van burger, instelling en bedrijf” (Brinkman tijdens de Algemene Beschouwingen) en anderzijds vanuit Zoetermeer de uitgaven voor potloden en nietmachines op de christelijke basisschool De Zaaier te Vlagtwedde blijven regelen? En hoe kan men het kabinet blijven aansporen tot besparingen in het onderwijs en anderzijds de verzuiling met al haar minutieus geregelde financiële voordelen en dure versnipperde scholenbestand in stand laten?

De christendemocraten, getraind in het uitleggen van dergelijke dilemma's, hadden dit misschien nog wel een tijdje volgehouden, ware het niet dat fractie-leider Brinkman op zoek is naar een nieuw issue om zich als toekomstig leider van het land te profileren. “Na de WAO is de decentralisatie het tweede grote project voor Brinkman”, zegt een van de fractieleden van het CDA in de Tweede Kamer. Daarmee kregen fractieleden zoals Tuinstra en Hillen er een machtige bondgenoot bij in hun strijd tegen de hoeder van de pacificatiegedachte, de ex-staatssecretaris en voorzitter van de fractiecommissie voor onderwijs A. Hermes.

Gezien Brinkmans eigen verleden ligt de keuze voor de decentralisatie als nieuwe profilering voor de hand. Zo zette hij tijdens zijn ministerschap van WVC flink het mes in de landelijke welzijnsstructuur. Door een bundeling van geldstromen - onder meer via het gemeentefonds - probeerde Brinkman de (verzuilde) instellingen op een lager, regionaal en gemeentelijk niveau meer armslag te geven. Daarmee moest het maatschappelijk middenveld worden geactiveerd. De voorstellen die Brinkman tijdens de Algemene Beschouwingen voor het onderwijs lanceerde hebben veel weg van de aanpak die hij als minister van WVC volgde.

Toch had Brinkman zijn radicale plan nooit gelanceerd als het middenveld in het onderwijs inmiddels niet klaar had gestaan om de grotere verantwoordelijkheden op zich te nemen. Tamelijk onopgemerkt hebben in de jaren tachtig zowel de protestantse als de katholieke koepels een netwerk van grote zogeheten regionale administratiekantoren opgebouwd. Inmiddels zijn er acht van dergelijke protestants-christelijke kantoren en rond de dertig katholieke.

Nu voeren deze kantoren nog alleen de beslissingen uit die op centraal niveau, tussen het ministerie en de landelijke koepels, zijn genomen. Ze helpen de aangesloten schoolbesturen bij de administratie van hun uitgaven en dergelijke. Als Brinkman echter zijn zin krijgt zullen de kantoren samen met de besturen gaan beslissen welk deel van de pot met geld voor de scholen naar bijvoorbeeld huisvesting gaat en welk naar inventarissen.

Om de kantoren daarbij terzijde te staan, zijn de laatste tijd allerlei beleidsmedewerkers van de landelijke verzuilde koepelorganisaties uit Den Haag overgestapt naar de kantoren in de regio. Zij kunnen straks voor de scholen de circulaires gaan schrijven die nu nog uit Zoetermeer komen.

Zover is het echter nog lang niet. De weg naar het gedecentraliseerde paradijs ligt bezaaid met politieke en juridische voetangels en klemmen. Hoe kunnen de kantoren democratisch worden gecontroleerd? In hoeverre zal decentralisatie worden gebruikt voor nieuwe bezuinigingen? Is er geen forse bestuurlijke schaalvergroting nodig om met de kantoren samen te werken? Wat wordt de relatie met een zelfstandiger openbaar onderwijs? Het zijn maar enkele van de vragen die nog wel enkele duizenden vellen aan nota's en jaren aan politieke ruzies zullen opleveren.