Achter de harp van Rosa Spier; Gesprek met Phia Berghout over haar leermeesteres

Rosa Spier, die op 7 november honderd jaar geleden geboren werd, begon al op haar tiende op een veel te grote harp te spelen, en werd spoedig een heel bekende harpiste. Haar leerlinge en opvolgster Phia Berghout heeft zich net als Rosa Spier haar hele leven ingezet voor de harp. Ze trad overal op: “We vonden het altijd het leukst als kinderen verplicht naar ons moesten luisteren en lawaai maakten of "boe' begonnen te roepen.” De naar Phia Berghout genoemde stichting organiseert op 30 oktober in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam een herdenkingsconcert voor Rosa Spier.

Aan een van die groene, lommerrijke laantjes waarvan er zo veel zijn in Laren ligt, temidden van de kapitale panden en half verscholen tussen de bomen, een groot complex van twee verdiepingen. Het is het Rosa Spierhuis, dat plaats biedt aan 73 ouderen. Bij binnenkomst merk je het direct: dit is geen doorsnee bejaardenhuis. In de entreehal, tevens expositieruimte, kuieren bezoekers monsterend langs panelen met moderne kunst. Verderop, in de gangen, geen betraande zigeunermeisjes naast de deuren, of een Hollands winterlandschap in kruissteekjes, maar "echte' kunst: schilderijen, tekeningen, vitrines vol beeldhouwwerk. En vanaf de achterzijde, staande op het grasveld met de door bomen omzoomde vijver, zie je uit op rommelige ateliers met tubes verf, penselen, kunstwerken in wording en planken met geboetseerde koppen.

Uit een van de vleugels van het gebouw klinkt popmuziek uit een radio, half overstemd door getimmer. Een lelijke dissonant in deze omgeving, maar tijdelijk noodzakelijk. Er wordt verbouwd. De nogal kleine kamertjes worden ruimer, beter aangepast aan de eisen van deze tijd. In januari krijgt iedere bewoner de beschikking over twee ruimten: een woonkamer en een eigen atelier of muziekstudio, of één appartement met een woon- en een werkkamer.

Het was de legendarische harpiste Rosa Spier die in de jaren zestig de aanzet gaf tot de bouw van dit woon- en werkcentrum voor oudere kunstenaars. De opening in 1969 heeft zij niet meer meegemaakt, ze stierf twee jaar daarvoor. In het huis dat haar naam draagt, kunnen de bewoners dank zij de nodige verzorging tot op hoge leeftijd hun werk voortzetten en elkaar tot stimulans zijn, onder het motto dat creativiteit niet ophoudt bij 65. Beeldend kunstenaars kunnen exposeren in de entreehal. Schrijvers en wetenschappers vinden er de rust om te werken. Musici en acteurs kunnen optreden in de aula, een zaal met plaats voor 130 personen, waar een grote foto van Rosa Spier met harp het geheel overziet. Daar zijn ook geregeld optredens en lezingen van bekende buitenstaanders. Zo ongeveer had Rosa Spier het gewild.

Op 7 november is het honderd jaar geleden dat Rosa Spier (1891-1967) werd geboren. Daarom begint op 9 november een tentoonstelling in het Rosa Spierhuis die twee weken zal duren. Te zien zijn onder andere een aantal harpen waarop zij heeft gespeeld en haar verzameling miniatuurharpjes, er worden oude opnamen op video getoond en natuurlijk is zij ook te horen. Verder zijn twee herdenkingsconcerten georganiseerd: één op 9 en 10 november door de Nederlandse Harpvereniging in het Rosa Spierhuis zelf (voor slechts een beperkt aantal buitenstaanders toegankelijk), een tweede door de Phia Berghoutstichting op 30 oktober in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam met een programma van in Nederland wonende componisten van deze eeuw.

Rosa Spier begon al op haar tiende harp te spelen, toen ze eigenlijk nog niet groot genoeg was voor het instrument. Om het te stemmen moest ze op een stoel klimmen. Maar ze toonde zoveel talent dat ze al op haar 14de, toen ze nog op de H.B.S. zat, in het Residentie Orkest werd gevraagd: “een aardig, pittig klein meisje met korte rokjes en hangend haar, dat het héél erg druk had”, schreef in 1925 De Hollandsche Revue in een "karakterschets' van haar.

Tegenwoordig wordt haar naam in één adem genoemd met die van Phia Berghout, een van haar eerste leerlingen en door Rosa Spier beschouwd als haar opvolgster. Terwijl Rosa Spier wordt gezien als de grondlegster van een Nederlandse Harpschool, is een van de verdiensten van Phia Berghout dat ze die school een internationale reputatie bezorgde. Samen zaten ze tot de oorlog in het Concertgebouworkest. Dank zij de twee harpistes is de belangstelling voor de harp in ons land aanzienlijk toegenomen. Rosa Spier begon met optredens voor schoolkinderen en hield die jarenlang vol. Ook Phia Berghout deed dat, dertig jaar lang, samen met de fluitist Hubert Barwahser. “We vonden het altijd het leukst”, vertelt ze, “als kinderen verplicht naar ons moesten luisteren en lawaai maakten of "boe' begonnen te roepen. Dan moest je ze zien te overwinnen.”

Nood

Rosa Spier was door haar pionierswerk al jong een begrip in heel Nederland. Phia Berghout: “Henri Knap beschreef voor de oorlog hoe in Amsterdam een piano bij een grachtenhuis naar boven werd gehesen, met aan de ene kant van het touw een man als tegenwicht. Toen deze ter hoogte van de piano bungelde, ging er iets mis en in nood greep hij zich vast in de snaren. "Hé, Rosa Spier, kejje wel?' riep zijn collega toen van boven. Zó bekend was ze.”

Phia Berghout - haar tweede naam is heel toevallig Rosa - is 81. Zij woont in een appartementencomplex voor ouderen, ook in een bosrijke omgeving, al is het niet in het Rosa Spierhuis. Als ik haar woning binnenkom, valt mijn oog als eerste op het majesteitelijke instrument midden in de kamer met de glanzende gouden zuil en de blank gelakte klankkast. “De laatste harp van Rosa Spier”, zegt Phia Berghout. “Van het Amerikaanse merk Wurlitzer, gemaakt in het einde van de jaren dertig. Rosa wilde na de oorlog nog één keer een nieuwe harp. Dat werd deze, die ze tweedehands uit Amerika heeft laten komen. Hij heeft een prachtige, volle klank.”

Zelf speelt Phia Berghout niet meer na een zware operatie twee jaar geleden, maar ze is nog steeds actief betrokken bij het wel en wee van de harp, heeft intensief contact met oud-leerlingen en houdt zich bezig met harp als muziektherapie voor geestelijk en lichamelijk gehandicapte kinderen. “Dat boeit mij op dit moment het meest. Je hebt tegenwoordig van die kleine troubadourharpjes voor kinderen, zonder pedalen, ze hoeven alleen de snaren te bespelen. Ik heb ermee gewerkt in een inrichting in Israël. Steeds wanneer in de Golfoorlog het luchtalarm ging, brak er paniek uit, maar het bleek dat de kinderen die een harp in handen kregen, onmiddellijk kalm werden.”

Net als Rosa Spier leek Phia Berghout voorbestemd voor het instrument: “Ik was drie toen ik aan de hand van mijn vader in Rotterdam liep te wandelen. We kwamen langs de muziekwinkel van Hakkert en daar zag ik een harp in de etalage staan. Ik zei toen: "als ik later groot ben ga ik daarop spelen'. Thuis maakten wij veel muziek. Mijn vader was componist en gaf piano- en vioolles. Die instrumenten speelde ik ook, maar ik bleef naar die harp verlangen. De eerste keer dat ik een harp aanraakte was pas, toen ik na de middelbare school naar het conservatorium in Den Haag ging. Daar zat in die tijd de enige harpklas van Nederland, met Rosa Spier als lerares. We hadden thuis een prent van een harp, waarop iemand aan de verkeerde kant zat te spelen. Toen ik dus de eerste keer op les kwam, dacht ik, "die harp staat verkeerd' en draaide hem om.”

De harpklas van Rosa Spier bestond uit drie - vrouwelijke - leerlingen, toen Phia Berghout er begon. Rosa Spier was geen gemakkelijke lerares. “Ze was streng en moeilijk en eiste erg veel. Er kwamen nogal eens leerlingen in tranen uit de les. Gelukkig hadden we toen Johan Wagenaar als directeur, een vreselijk aardige man, en de hobost Jaap Stotijn, die overigens ook honderd jaar geleden is geboren. Zij vingen die meisjes altijd op. Ikzelf vond dat strenge niet zo erg, ik was ook streng opgevoed. Rosa was een uitstekende pedagoge, ik ben nog steeds dankbaar dat ik van haar les heb gehad. Rosa had zelf ook les gekregen aan het Haagse conservatorium, maar beschouwde zich toch voornamelijk als autodidact. Wij hadden veel gemeen. Wij probeerden gevoel uit zo'n instrument te halen, een intensieve toon te vormen en de snaren met een soort vibrato te laten klinken.”

Vrouwelijk

Harp werd vroeger als een typisch vrouweninstrument beschouwd. “Dat is geboren in de romantische periode toen men het uiterlijk van de harp meer vrouwelijk dan mannelijk vond”, zegt Phia Berghout. “Nu zijn er ook veel mannen die harp spelen”. De belangstelling voor de harp na de Tweede Wereldoorlog is ook gegroeid, doordat op de muziekscholen de kleine, eenvoudige harp voor kinderen werd geïntroduceerd. Tegenwoordig zijn er in Nederland, verdeeld over de verschillende conservatoria, tientallen harpstudenten. De grote symfonieorkesten hebben een of meer harpisten in dienst en ook in de populaire muziek wordt steeds meer gebruik gemaakt van de harp. Het aantal vaste plaatsen is echter beperkt, sommige orkesten volstaan met parttimers.

Aan het begin van deze eeuw was er maar een klein repertoire voor harp. Rosa Spier begon, vertelt Phia Berghout, bijna uit het niets in de harpwereld. “Er was geen andere harpiste in Nederland die solo speelde, of kamermuziek maakte. In de meeste orkesten werd de harppartij gespeeld door een piano. Er was weinig gecomponeerd. Vooral de Franse componisten als Berlioz, die de harp weer in het symfonieorkest invoerde, en Ravel, Debussy en Fauré hadden voor harp gecomponeerd. Rosa introduceerde alle nieuwe grote werken voor harp in Nederland. Zij is ook de eerste geweest die voor een uitbreiding van het repertoire heeft gezorgd. Ikzelf en anderen hebben daar later ook voor gevochten. Ik heb veel met Nederlandse componisten gewerkt. Voor de zestigste verjaardag van Rosa heb ik met Marius Flothuis en Lex van Delden gesproken en die hebben toen samen een stuk voor twaalf harpen gemaakt. Dat wordt in november in het Rosa Spierhuis gespeeld. Ik zei altijd tegen componisten: "schrijf maar, als het verkeerd is dan praten we erover'. Maar meestal was het meteen goed.”

Zij laat een lange lijst zien van muziekuitgever Donemus met recente Nederlandse composities voor harp. Veel bekende namen, waaronder Hans Henkemans, Robert Heppener (die onder andere een stuk voor 28 harpen schreef), Hendrik en Jurriaan Andriessen, Henk Badings, Ton de Leeuw, Leo Smit. “Het verdriet me wel eens”, zegt ze, “dat harpisten altijd weer teruggrijpen op hetzelfde, oudere repertoire. Jongeren zouden meer werken moeten spelen die in de loop van de eeuw zijn ontstaan. Voor componisten is dat ook stimulerend. Door hun werken uit te voeren, inspireer je hen om verder te gaan. De techniek heeft zich enorm ontwikkeld en Nederland heeft voortreffelijke harpisten. Rosa zou genieten als ze de jongere generatie hoorde. Maar ze zouden meer van die moeilijke stukken kunnen presenteren. Dat is een wens, geen verwijt.”

De geringe belangstelling van eerdere componisten had ook te maken met de ontwikkeling van het instrument. Er waren nogal wat technische problemen die pas rond 1820 werden opgelost door de Franse harpbouwer Sébastien Erard met de "dubbelpedaalharp', een harp met zeven pedalen die, in verbeterde vorm, nog steeds wordt gebruikt. “Harp is een moeilijk instrument”, vindt Phia Berghout. “Je stemt de harp af op de toonsoort waarin het stuk staat, maar de modulaties, elke mol of kruis, moet je met de pedalen maken. Je hebt te maken met vingertechniek en voettechniek. De voettechniek moet iets vóór de handen komen. Dat meedenken met de modulaties is moeilijk. Ook fysiek is het zwaar. In één maat moet je soms zes pedalen intrappen.”

Platen

Phia Berghout kwam in 1933 als tweede harpiste bij het Concertgebouworkest, dat toen onder leiding stond van Willem Mengelberg. Eduard van Beinum was toen nog tweede dirigent. In 1938 werd hij eerste dirigent naast Mengelberg. Rosa Spier zat er sinds 1932 als eerste harpiste. Het waren andere tijden, formeler (“het duurde twee jaar voor ik "Rosa' durfde zeggen”) en rustiger. “Toen ik begon te studeren was er nog geen radio, er waren geen platen. Je hoorde veel minder, je speelde veel meer dezelfde stukken. Ik hoorde eigenlijk alleen Rosa spelen. Muziek maken is na de oorlog interessanter geworden, er kwam meer afwisseling in, het repertoire breidde zich uit. Rosa heeft veel gepresteerd, maar het ging geleidelijk. Ze gaf lessen, speelde in het orkest en trad als soliste op. Een aantal maanden was het druk, maar dan was het weer een tijdje rustig. Tegenwoordig is het zo hectisch met al die buitenlandse reizen. En in die moderne stukken zitten zo veel nieuwe effecten die niet bij de gewone techniek horen, die vergen veel meer studietijd. Wat wel een probleem was vroeger, was het vervoer. Rosa had al vroeg een autootje met aanhangwagen, maar ik reisde altijd met de trein. Ik heb wat gesjouwd met die harp. Vroeger ging hij in de trein in de bagagewagen met een kaartje. Van Gend en Loos stond met paard en wagen klaar aan het station om hem naar de concertzaal te brengen. Een harp is kwetsbaar, daarom had ik sigaren bij me voor de sjouwers zodat ze voorzichtig zouden doen. Ik had ooit een Franse harp en op de kist stond fragile. Bij het overstappen op een andere trein rende ik even naar de bagagewagen om te kijken of alles goed ging. "Hebben jullie nog wat?' hoorde ik iemand roepen. "Ja', riep een man uit de andere trein terug, "alleen nog een kist met fraachiele' en hij smeet hem zó de andere trein in.”

Rosa Spier was voor geen kleintje vervaard en werd gevreesd om haar scherpe tong. Phia Berghout: “Wanneer we een stuk moesten spelen van bijvoorbeeld Richard Strauss, die heel moeilijke harppartijen heeft geschreven, zei ze tegen mij: "dat spelen wij anders, hoor'. Als de dirigent dan aftikte stond Rosa op en hield een hele speech. "Dat kunt u niet weten', zei ze, "maar dat is voor ons niet te spelen'. En vervolgens legde ze omstandig uit waarom het anders moest. Zo'n dirigent stond met stomheid geslagen. Met iemand als Van Beinum was over dat soort dingen best te praten; we gingen even in de pauze naar hem toe en vonden wel een oplossing. Giulini, of Kubelik hadden er ook begrip voor. Overigens probeerde ik altijd wel te spelen wat de componist had geschreven. En meestal bleek het ook best te kunnen.”

Ontslagen

In 1941 werd Rosa Spier, samen met andere joodse orkestleden, op last van de bezetters ontslagen. “Ze had mij gevraagd haar plaats in het orkest waar te nemen tot ze terug kon komen”, vertelt Phia Berghout. “Maar er meldden zich al snel kandidaten voor haar plaats en Mengelberg heeft toen een ander aangenomen. Dat heeft haar veel verdriet gedaan”. Rosa Spier werd, nadat ze zichzelf na een onderduikperiode had gemeld om anderen niet in gevaar te brengen, via Westerbork gedeporteerd naar het Duitse concentratiekamp Theresienstadt. Ze kwam vrij, omdat de Duitsers haar samen met een aantal andere kunstenaars in ruil voor medicamenten naar Zwitserland lieten gaan. “Zwitserse harpisten hebben haar een harp geleend. Ik had gezorgd dat zij in Westerbork een nieuwe sonate van Hindemith kreeg. Daar heeft zij op gestudeerd en ze heeft hem kort na de oorlog in het Concertgebouw gespeeld. Haar harp had in de oorlog verborgen gelegen op de bodem van een woonboot. Na de oorlog is ze nog korte tijd bij het Concertgebouworkest geweest, maar ze had er geen vertrouwen meer in. Ze was geschokt door wat ze had meegemaakt en had ook geen zin meer in lesgeven. Toen haar goede vriend Albert van Raalte het Radio Philharmonisch oprichtte, dacht ze dat dat orkest het helemaal zou gaan maken en besloot daarin te gaan spelen. Voor mijn gevoel heeft ze iets te vroeg beslist. Ik had haar zo graag gegund dat ze die leuke na-oorlogse tijd met het Concertgebouworkest nog had meegemaakt”.

Na de oorlog kreeg het Concertgebouworkest een andere samenstelling: sommige joodse orkestleden waren niet teruggekomen, de NSB-ers moesten eruit. Er braken nieuwe tijden aan, waarin de eisen hoger werden en de muzikale opvattingen veranderden. “Men nam het niet meer dat de dirigent als enige de baas was. Het was hard werken om weer op het niveau van voor de oorlog te komen. Van Beinum heeft dat fantastisch gedaan. Hij zei dat we het voortaan mét elkaar moesten doen en begon met een compleet nieuwe aanpak. Ik vind van Van Beinum dat hij miskend is. Hij heeft toen een hele moeilijke periode gehad. Haitink, die in 1961 kwam, had het in dit opzicht makkelijker. Toen was men al gewend aan een andere manier van muziek maken. ”

Al snel na de oorlog begonnen de buitenlandse tournees. In gezelschap van Prinses Juliana en Prins Bernhard reisden de deels ondervoede en schamel geklede orkestleden de eerste keer naar Zweden als dank voor het wittebrood dat de Zweedse vliegtuigen boven ons land hadden gedropt. “We vlogen met drie oude, aftandse legervliegtuigen die daarna, geloof ik, zijn afgedankt. Door die ervaring weigerde het orkest de volgende reis naar Amerika weer in het vliegtuig te stappen. We zijn toen met de boot gegaan, maar kwamen in een orkaan terecht. Iedereen werd zeeziek. Vanaf dat moment werd er voortaan toch maar gevlogen.”

Kleuren

Phia Berghout nam in 1961 ontslag bij het Concertgebouworkest om iets geheel nieuws te beginnen. Ze richtte de Eduard van Beinum Stichting op - Van Beinum was in '59 overleden - en begon een internationaal ontmoetingscentrum voor jonge, afgestudeerde musici in Queekhoven, een landgoed in Breukelen aan de Vecht. Al eerder had zij internationale bijeenkomsten voor harpisten georganiseerd. De jaarlijkse harpweken op Queekhoven groeiden uit tot een inspiratiebron voor musici en componisten van over de hele wereld. Koreanen, Russen, Israeliërs, Amerikanen ontmoetten elkaar, maakten kennis met het Nederlands repertoire en inspireerden landgenoten tot nieuwe composities. Phia Berghout: “Mijn doel was verschillende kunsten bij elkaar te brengen. Zelf had ik gemerkt hoe de ene vorm van kunst invloed op de andere kan hebben. Ik ging bij voorbeeld met Japanners of Koreanen, als zij een Frans stuk moesten spelen, naar het Van Goghmuseum. Wanneer zij die kleuren hadden gezien, speelden zij heel anders. Wij hadden ook cursussen waarin het maatschappelijk leven van een bepaalde tijd werd belicht: de literatuur, beeldende kunst, architectuur, gezondheidszorg. Dat had invloed op de manier van musiceren.”

Nadat ze op haar 65ste afscheid had genomen, veranderden haar opvolgers de doelstelling. Protesten van donateurs vonden geen gehoor. Daarna ging het snel bergafwaarts met Queekhoven. Het is nog steeds een pijnlijke herinnering voor Phia Berghout. “Ik vond destijds dat ik het maar eens aan de jongere generatie moest overlaten, maar dat heb ik te vroeg gedaan. De doelstelling van Queekhoven werd veranderd zonder dat iemand het wist. Ik vond het droevig dat het mis ging, want het was een uniek project. Queekhoven is nu helemaal verkocht, ik ben er kort geleden nog langs geweest. Een rijke Duitser gebruikt het als tweede huis.”

De Stichting Phia Berghout streeft nu eenzelfde doel na, maar tot een tweede Queekhoven is het nog niet gekomen. Overigens heeft Phia Berghout ook na de periode-Queekhoven niet stilgezeten. Tot voor kort reisde ze de wereld af om lessen en lezingen te geven. Terugkijkend op haar carrière noemt ze als een van de mooiste herinneringen haar vele optredens in gevangenissen. “Een zeeman uit midden-Afrika die iemand had vermoord, kwam eens op me af en zei: "toen ik uw muziek hoorde besefte ik ineens wat ik mijn vrouw heb aangedaan die nu ver weg in een klein dorpje alleen zit'. Het is merkwaardig hoe muziek iets kan openbreken.”

Van het instrument in haar kamer gaat een magneetwerking uit, die ik aan het eind van ons gesprek niet langer kan weerstaan. Als ik aarzelend vraag of ik misschien even..., is Phia Berghout meteen vol begrip. Even later zit ik achter De Harp van Rosa Spier, terwijl zij enthousiast uitlegt hoe ik de pedalen moet intrappen, de snaren moet grijpen en hoe met een eenvoudige duimbeweging zelfs een beginneling een klankvol engelenakkoord aan de Wurlitzer kan onttrekken. “Ach”, zegt ze bemoedigend, als ik met een hoofd vol harpmuziek afscheid neem, “je weet nooit wat je nog eens gaat doen.”

    • Gerda Telgenhof