Winnen van de dood

De tweede cirkel (Kroeg vtoroj). Regie: Alexander Sokoerov. Met: Pjotr Alexandrov, Nadeshda Rodowna, Tamara Timofejeva. Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt.

Voor zover ik ze heb gezien, gingen de speelfilms van Alexander Sokoerov over stervende mensen. Niet dat ze gedurende die films niet springlevend waren, de hoofdpersonen van De eenzame stem van de mens (1978), Dagen van duisternis (1988) en Madame Bovary (1989). Ze redeneerden, ze fantaseerden. Ze legden als razenden een vorm op aan de wereld om hen heen, dat moesten ze zelfs, omdat ze zich misplaatst voelden. Maar hun energie, hun koortsachtige gedoe en gedenk mocht nooit baten. De wereld liet zich niet dwingen en al zag je ze slechts in een enkele geval daadwerkelijk overlijden, het enige antwoord dat deze personages overbleef, was zich gewonnen te geven, wat weer synoniem was met zelf sterven.

De tweede cirkel speelt zich opnieuw af in de schaduw van de dood en toch breekt Sokoerov hier met zijn eerdere motief. In deze film zien we niet iemand in doodsstrijd maar iemand in zijn strijd tegen de dood. Het is een jonge man die arriveert in een karakterloos dorp in de Goelag, daarheen geroepen omdat zijn vader is overleden. Zo te zien vervreemd van die vader, brengt hij in de eenkamerwoning een weekeinde door met diens dode lichaam. Hij wast het, buiten met sneeuw want de waterleiding is defect. Onhandig manoevrerend kleedt hij het aan. Hij voert absurde kibbelgesprekken met de botte, snauwende dame die de begrafenis komt regelen. Hij brengt een bezoek aan een stokoude arts waar hij de noodzakelijke officiële bevestiging moet veroveren van de dood van zijn vader. In de drukke bus terug valt hij flauw. Hij zakt in elkaar tussen de hem omstuwende lichamen, die op Sokoerovs geluidsband nadrukkelijk ademen en steunen, dat wil zeggen heftig leven. Hij wordt wakker naast het lichaam.

Samen met hem kijken we door de halfopen keukendeur besmuikt toe hoe het lichaam wordt "verzorgd': het wordt uitgestrekt op de grond en één van de knechten van de begrafenisondernemer haalt, terwijl hij er schrijlings bovenstaat, een kam door het dunne haar. Die nacht slaapt de zoon in de keuken, aan de voet van de kist die tegen de wand op steigert. Wanneer op maandag diezelfde knechten zijn vader eindelijk hebben meegenomen - de naar Russisch gebruik dekselloze kist wordt zo scheef en rechtop gehouden dat het lichaam er bijna uitkiept - verzamelt de jonge man de schamele spullen uit de woning. Een boksbeugel in de keukentafel-la laat terloops iets vermoeden over de functie van de vader, daar in dat Goelag-dorp. Wellicht was hij betrokken bij het berucht brute toezicht over de gevangenkampen die er door Stalin zijn ingericht. De zoon rolt alles op in het besmeurde beddegoed en de bevlekte matras, sleept het pakket mee naar buiten en steekt de brand erin. De vrieskou die tot dat moment de sfeer bepaalde, wijkt voor het laaiende vuur. De jonge man heeft met de dood geleefd, hij heeft zich bijna gewonnen moeten geven omdat hij de stalen regels niet kende die het sterven omgeven, hij heeft zijn eigen sokken moeten afstaan aan de dode blote voeten. Maar nu brandt zijn vuur en voor het eerst in de film klinkt er muziek. Hij kan terugkeren naar zijn eigen leven. Hij heeft gevochten en hij heeft gewonnen. Hij leeft.

Het is verleidelijk om in het vertelde een metafoor te zoeken voor de toestand waarin de bevolking van de Sovjet Unie zich nu bevindt: verweesd en worstelend met een dood, verkankerd vaderlichaam. Maar Sokoerov besluit zijn film niet voor niets met de woorden "Fortuinlijk zijn de dierbaren die ons voorgingen in de dood'. Daarmee geeft hij aan dat zijn film in de eerste plaats moet worden genomen voor wat hij is: een verslag van rouw om een vader, die voor een zoon een vader is, wat hij ook deed of naliet.

De titel De tweede cirkel verwijst naar Dantes Divina Commedia, waarin de eerste cirkel die van de geboorte is en de tweede die van de dood. Sokoerov maakt die titel waar. In, soms vaal getint, zwartwit trekt hij een schokkende film op waarin de personages zich zonder uitzondering bezig houden met de dode man. De beelden getuigen alle van de steeds nader sluipende bewustzijnsvernauwing die de zoon bedreigt: wijde, nu en dan het getoonde vervormende, kaders blijven minuten lang staan, terwijl er binnen dat beeld iets of iemand beweegt. Vaak komt de zoldering in beeld en drukt dan, in het midden het kale peertje en een bijbehorende kille lichtkrans, neer wat er gebeurt in de kleine kamer. Het is er koud, adem wolkt op uit mond en neus en wie binnenkomt houdt zijn jas aan. De zoon niet. Die wenst blijkbaar de koude net zo min te voelen als de dode die zijn gedachten en handelen beheerst. Ons beheerst hij eveneens. Ook als het niet in beeld is, zorgt Sokoerov ervoor dat zijn publiek zich bewust blijft van het ruwhouten ledikant en het magere lichaam dat erin rust. Steeds weer voelen we dat het niet langer een man is, geen vader van een zoon. Het heeft niets meer van doen met een toekomst of een verleden. Het is alleen nog maar dood.

Dat nu moet de zoon onder ogen zien en één keer doet hij daartoe zelfs een letterlijke poging. Hij schuift de oogleden van de dode op en staart, samen met de camera, in de strakke irissen. Sokoerov deinst niet terug voor het logische vervolg van deze close up. Hij geeft ons het "tegenshot' dat erbij hoort, dat wil zeggen een langdurige close up van het verwrongen gezicht van de zoon. De ontreddering staat er scherp in geëtst. Het veroudert zijn trekken die desondanks onmiskenbaar jong blijven. Momenten als deze bieden acteur en regisseur vaker in De tweede cirkel, zoals de gezichtsuitdrukking boordevol verdriet na de eerste blik op zijn vader of zijn plotse aarzeling om de dichtgevallen keukendeur te openen waarachter zich, nog steeds, het lijk zal bevinden. Ze wekken bewondering voor Sokoerov als regisseur, en niet minder voor zijn 22-jarige acteur Pjotr Alexandrov.