Newman

Op 16 oktober schrijft W.A.L. Beeren dat Barnett Newman minder aan de "technische fijnzinnigheden' van zijn schilderijen hechtte dan IJsbrand Hummelen (NRC Handelsblad, 10 oktober), en citeert een tekst van Newman zelf, The Plasmic Image.

Deze tekst stamt echter uit 1945 en dat maakt verschil. Vóór 1948 speelden mythologie en symboliek een veel grotere rol in Newmans werk dan daarna. Hij schilderde half-figuratieve, soms biomorfe vormen, vaak geïnspireerd door Indiaanse motieven. Newman schreef teksten waarin hij een antwoord probeerde te formuleren op de vraag wat een schilder nog kon schilderen na de Tweede Wereldoorlog en de bom op Hiroshima. Hij benadrukte het onderwerp, dat hij in de jaren veertig vooral in termen van de primitieve angst voor het onkenbare formuleerde, en onderscheidde zich nadrukkelijk van alle moderne kunststromingen die de techniek of de vorm voorop stelden. Gezien deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat hij zich verzet tegen het beschouwen van "oppervlak, textuur en dergelijke' als waarden op zichzelf.

Maar hoewel hij ook later zijn onderwerp bleef verdedigen tegen formalistische interpretaties van zijn werk, werd de inhoud bij hem nooit conceptueel: zijn "gevoel van plaats' bleef altijd een ervaring van ruimte, schaal en kleur. En ook al suggereert Beeren dat de kleureffecten van een schilderij als Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III losstaan van de materiële technieken, Newman dacht daar zelf anders over. Volgens Alexander Liberman (Art News, oktober 1971) hield Newman zich om een bepaald resultaat te bereiken intensief met de techniek bezig. Het maken en mengen van verf of medium, hoe ongekeperd linnen te behandelen, het experimenteren met allerlei verfsoorten, zoals Liquitex en Duco, het gebruik van sinaasappelsap om metaal te laten roesten, dergelijke dingen bespraken Newman en Liberman steeds met elkaar. Liberman concludeert "dat Barney's technologische ervaring buitengewoon was'.

    • Renée van de Vall