"Maastricht' raakt kern democratie

Begin juni spoorde de Tweede Kamer met de breed gedragen motie de bewindslieden van Buitenlandse Zaken aan als voorzitter van de EG het werk van hun Luxemburgse voorgangers bij te sturen. En wel in twee richtingen: versterking van het democratisch karakter en een uitdrukkelijk communautair perspectief voor nieuwe samenwerking tussen de Twaalf op de terreinen van binnen- en buitenlands beleid. Toen Van den Broek en Dankert zich van die opdracht kweten, werden zij van vele kanten in de rug aangevallen. Eerst - nadat het complete Nederlandse voorstel was gestuit op een front van uiteenlopende, deels onderling tegengestelde bezwaren - door een groep ambtenaren, die graag aan redacteur Rob Meines in dit blad kwijt wilden dat hun politieke bazen niet deugden. Vervolgens door een heel leger commentatoren, dat kwam melden dat het voorstel te Nederlands, te federaal, te supranationaal, danwel te Atlantisch was geweest. En ten slotte door een groot deel van de Tweede Kamer. Bij de Algemene Beschouwingen ging CDA'er Brinkman in zijn rede geheel voorbij aan Europa, evenals fractiegenoot Mateman al eens eerder had gepoogd bij de bespreking van het rapport-Deetman, dat in belangrijke mate ging over de bestuurlijke aanpassing van Nederland aan de EG. VVD'er Bolkestein en D66'er Van Mierlo leverden om strijd kritiek van procedurele aard op de voorbije gang van zaken en slechts PvdA'er Wöltgens zei in tweede termijn iets over een toetssteen voor de onderhandelingsresultaten van Maastricht.

Laten we beginnen met vast te stellen dat veel verwijten aan het adres van Van den Broek en Dankert kennelijk meer waren ingegeven door de Britse propagandamachine dan door eigen studie van het Haagse voorstel. Dit laatste was namelijk niet echt Nederlands van aard: het bleef ver achter bij wat Kamer en kabinet als nationale standpunten hadden geformuleerd. Het was ook niet federaal: de enige keer dat de woorden "federale roeping' in de tekst voorkwamen, waren ze overgenomen van de Luxemburgers. Het was evenmin supranationaler dan het voorstel van de vorige EG-voorzitter. Eerder is het omgekeerde het geval. Het was alleen iets minder ondemocratisch en iets minder anti-communautair.

Er is opgemerkt dat het Nederlandse voorstel op te laag niveau was gepresenteerd, immers door de staatssecretaris. Luxemburg echter had dit in juni zelfs overgelaten aan een ambassadeur. Voorts was te horen dat Den Haag waarschuwingen tegen een negatief onthaal in de wind had geslagen. Zo zou Bolkestein graag hebben gezien dat men blind had gevaren op het sombere stemmingsbeeld uit de kring van Permanente Vertegenwoordigers in Brussel. Aangezien dat politiek machtige gezelschap de grootste verliezer zou zijn bij uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement was het evenwel prudent ook nog andere bronnen aan te horen. Heel belangrijk was de stem van Bonn. De indruk bestaat dat Genschers eigen delegatieleden de houding van hun minister verkeerd hadden getaxeerd. Duidt dit op onhandigheid van Buitenlandse Zaken of op een nieuw soort onberekenbaarheid van onze oosterburen, nu dezen - na het einde van de Koude Oorlog en na de Duitse eenwording - zoveel nieuwe opties krijgen dat ze niet weten te kiezen?

Natuurlijk kunnen we achteraf constateren dat Nederland, indien Buitenlandse Zaken niet zo in tijdnood was gebracht door slepend interdepartementaal overleg, subtieler had kunnen opereren. Die vertraging zelf echter is constitutioneel de voorzitter van de ministerraad aan te rekenen. Daarover viel tijdens de Algemene Beschouwingen geen woord, evenmin als over de vraag of Lubbers nu al dan niet met kanselier Kohl had gebeld en wat daarbij dan van weerskanten was gezegd.

Belangrijker is intussen hoe Nederland nu verder moet na de afwijzing van zijn discussiegrondslag. Wat dat betreft kreeg men in de eerste weken van oktober het gevoel dat ons volk weer ten prooi was gevallen aan zijn oude neutralisme: nauwelijks klonk door dat Nederland als verdragsluitende partij in Maastricht opnieuw soevereiniteit moet afstaan en dat het dan dient te weten of dit gebeurt aan de Gemeenschap of aan een amorfe Unie, alsmede hoeveel parlementaire democratie nu weer tussen schip en kaai zal verdwijnen. Vrijwel iedereen boog zich liever over onze rol als boven alle stromingen en opvattingen zwevende voorzitter. Buitenlandse politiek is traditioneel voor menigeen hier het gemiddelde van de politiek van het buitenland. Ik laat nu even in het midden dat het Haagse voorstel juist schipbreuk leed, omdat de regering inderdaad probeerde alle lidstaten binnenboord te houden.

De VVD-fractie heeft bij monde van Weisglas en Bolkestein te kennen gegeven het kabinet slechts te steunen voor zover het gaat om het democratisch gehalte van de Gemeenschap. We zullen zien wat straks van dit principe overblijft. Inmiddels moeten zij zich wel realiseren dat vrijwel alles wat Den Haag aan het Luxemburgse voorstel had geschaafd en gesleuteld rechtstreeks of ten minste indirect de kern van onze democratie raakt. Het CDA lijkt al klaar te staan om in dit opzicht van de gang naar Maastricht een gang naar Canossa te maken en dan allerlei prijs te geven nog voordat vaststaat dat dit is wat onder meer Bonn en Rome van ons vragen. Algemene Beschouwingen zijn er om lijnen voor de toekomst uit te zetten, niet zozeer om na te kaarten over een diplomatieke tactiek. Toen de minister-president tijdens het Kamerdebat zei dat Nederland misschien te ambitieus en te communautair te werk was gegaan, vroeg niemand hem op welke onderdelen dit sloeg.

Wel gingen er stemmen op om ten aanzien van de buitenlandse politiek en de veiligheid meer Atlantisch of daarentegen meer communautair te worden. Het Nederlandse voorstel hield hier overigens niets anders in dan de gedachte om datgene wat niet op de weg ligt van de NAVO onder te brengen bij de Gemeenschap, in plaats van nieuwe wildgroei via nog weer een losse Unie, bovenop alles wat reeds bestaat. De eerste vraag is niet: NAVO of EG. Voor Frankrijk, Spanje en Duitsland dreigt het immers te worden: geen van beide.

Te hopen is dat de vier voorzitters van de grote fracties zich alsnog verwaardigen de stukken te bekijken en dan het debat heropenen, ditmaal over hoofdzaken. Als het bij de ratificatie slikken of stikken wordt is het voor de politiek te laat.

    • S. Rozemond