Kabinet werkt aan "deal' met vermogenbeheerders

DEN HAAG, 24 OKT. Met "calimero-ogen' kijkt het kabinet Lubbers-Kok naar de vermogens van verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. De zogenoemde institutionele beleggers hebben veel geld. In 1990 bedroeg het gezamenlijke balanstotaal ongeveer 540 miljard gulden; bijna 100 miljard gulden méér dan het nationaal inkomen.

“Zij zijn groot en ik is klein”, moet minister Kok van financiën - met een financieringsbehoefte van ruim 40 miljard gulden - hebben gedacht. En dat op een moment dat de behoefte aan extra overheidsinvesteringen in onder meer infrastructuur en milieu groot is. In de Miljoenennota 1992 schrijft minister Kok dat de investering van de overheid sinds 1970 meer dan gehalveerd zijn: van 4,4 procent van het nationaal inkomen naar 1,7 procent dit jaar.

“Daarom wil ik graag een deal maken met de institutionele beleggers”, zei Kok dan ook in een vraaggesprek met deze krant een half jaar geleden. “Het is toch raar dat we met een lege schatkist zitten en tegelijk een enorm spaaroverschot? De investeringen kunnen niet alleen van de overheid komen. Dan missen we de boot. (...) Het hart van Europa klopt in de driehoek Noord-Italië, Zuidoost-Frankrijk, Zuidwest-Duitsland. Niet aan de rand van Europa, waar Nederland ligt.”

De brief die minister-president Lubbers twee dagen geleden naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, moet het optimale onderhandelingsklimaat creëren om minister Kok zijn deal te laten maken. In de brief kondigt het kabinet aan dat het voor de financiering van de Betuwelijn en de hoge-snelheidslijn TGV, de verbinding met "het hart van Europa', op basis van vrijwilligheid en commerciële uitgangspunten wil samenwerken met pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.

Lubbers benadrukt dat er voor de geldschieters “positieve en negatieve rendementsrisico's” zijn. De investering is voor de institutionele beleggers geen "goud gerande waarde'. Er is geen sprake van “risico-afdekking door de overheid”. Lubbers laat zich in de brief niet uit over de financiële modaliteiten.

In de brief worden drie situaties onderscheiden. Infrastructuur-projecten waarop een “marktconform” rendement mogelijk is; die moeten volledig voor private financiering in aanmerking komen. Projecten zonder of met onvoldoende rendement blijven gefinancierd door de overheid. Projecten met een positief, maar geen marktconform rendement komen in aanmerking voor samenwerkingsverbanden tussen overheid en particuliere sector.

De overheidsbijdrage moet dan leiden tot een aantrekkelijk rendement. En dat blijkt nodig, want de D. de Beus, voorzitter van het pensioenfonds PGGM liet afgelopen weekend weten er “niets voor te voelen met een lager rendement dan het gemiddelde marktrendement genoegen te nemen”.

De financiële bijdrage van de overheid moet uit de extra export van aardgas komen. Begin dit jaar kreeg de Gasunie van minister Andriessen van economische zaken toestemming 200 miljard kubieke meter aardas extra te verkopen. De opbrengst wordt geschat op 30 à 40 miljard gulden. Bovendien heeft Nederland nog miljarden guldens tegoed van Duitsland voor teveel geleverd aardgas uit een gemeenschappelijk geëxploiteerd aardgasveld in het Eems-Dollard gebied.

De revenuen van de extra export van aardgas komen pas na deze kabinetsperiode in de schatkist; voor 1995 houdt het ministerie van financiën rekening met 280 miljoen gulden. Het geld komt ruimschoots op tijd, want met de aanleg van de Betuwelijn en de zogenoemde flitstrein tussen Parijs en Amsterdam - de kosten worden ruwweg geschat op respectievelijk 2,5 miljard en 3 miljard miljard gulden - zal zeker niet eerder worden begonnen.

De pensioenfondsen reageerden positief op de uitgestoken hand van het kabinet. “Een prima initiatief om in de wirwar van ideeën wat concrete lijnen trekken”, zei mr. P.R. de Vlam, secretaris van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen; "woordvoerder' van meer dan 100 miljard gulden. De Vlam ziet in de brief een goede gespreksbasis.

De verhouding tussen minister-president Lubbers en de pensioenfondsen is niet altijd optimaal geweest. Zo speelde Lubbers begin dit jaar nog met de gedachte om het vermogen van het ambtenarenpensioenfonds ABP (160 miljard gulden) met 50 miljard gulden "af te romen' voor een gedeeltelijke aflossing van de staatsschuld (340 miljard gulden). Het ABP zou teveel vermogen hebben in relatie tot haar toekomstige verplichtingen. Daarnaast ligt nog steeds het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer voor belastingheffing op overwinsten van de pensioenfondsen, de zogenoemde Brede Herwaardering II. Sommige Kamerleden willen de wet versoepelen wanneer de pensioenfondsen investeren in de bouw van tunnels, wegen en spoorlijnen. Maar in zijn brief schrijft Lubbers nadrukkelijk dat de pensioenfondsen die deelnemen, geen “bevoorrechte behandeling” krijgen.

De regeringspartijen CDA en PvdA hebben positief op de brief van minister-president Lubbers gereageerd. Tijdens de algemene en politiek beschouwingen van 1990 spoorden de regeringspartijen CDA en PvdA het kabinet al aan tot een actieve investeringspolitiek. Zonder resultaat. Een jaar later herhaalden de fractievoorzitters E. Brinkman (CDA) en M. Wöltgens (PvdA) hun pleidooi. Brinkman vroeg het kabinet hoe de gesprekken met de institutionele beleggers verliepen.

Saillant is dat op het moment dat hij zijn vraag stelde - twee weken geleden - pas het eerste verkennende gesprek met de pensioenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen was gevoerd. Het opmaken van de Tussenbalans - de ombuigingsoperatie van 17 miljard gulden - in februari van dit jaar, en de strubbelingen rondom Ziektewet en WAO bepaalden de politieke agenda in het afgelopen jaar.

    • Cees Banning