Een hoop verrukkelijke ellende; NEDERLANDSE MODEHUIZEN RICHTEN ZICH NOG STEEDS OP PARIJS

Pierre Bergé, directeur van het Franse modehuis Yves Saint Laurent, geeft de haute couture in zijn land nog tien jaar. Het aantal klanten voor de peperdure maatkleding loopt terug en de media-uitstraling van de haute coutureshows is tegenwoordig minder dan die van de confectieshows van de 22 "grands couturiers' in Parijs. Hoe staat de haute couture in Nederland ervoor?

"Mijn reclamebudget zit in mijn modeshows', zegt de Amsterdamse couturier Rob Króner (48) altijd als hem wordt gevraagd om te adverteren. Króner geeft, net als Max Heymans, Frank Govers, Frans Molenaar en Edgar Vos, twee keer per jaar een show waarvoor hij klanten en pers uitnodigt. Zijn laatste show, begin september, leverde recensies op in 41 kranten - van de Telegraaf tot het Dagblad van Almere - die met elkaar een bereik hebben van bijna zeven miljoen mensen van 13 jaar en ouder. Als Króner de redactionele ruimte in die kranten had moeten kopen in de vorm van advertenties, was hij 111.748 gulden kwijt geweest. Zijn show kostte 24.500 gulden, de kleding niet meegerekend.

Ruim een ton aan free publicity is een aardige score voor een modeontwerper met niet meer dan honderd klanten. Maar het kan nog beter. Govers (100 coutureklanten), Molenaar (60 coutureklanten) en Vos (120 coutureklanten) krijgen meer publiciteit dan Króner, want behalve in de kranten wordt over hen ook regelmatig geschreven in bladen als Story, Privé en Weekend.

Voor Edgar Vos (60) zijn de reportages in "de blaadjes', zoals hij ze noemt, belangrijker dan de kranteartikelen omdat de roddelbladen worden gelezen door vrouwen die zijn confectiekleren kopen. Vos heeft een couturezaak in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat, achttien winkels die zijn confectiekleren verkopen en een kleine confectiefabriek in Someren die uitsluitend produceert voor de eigen winkels. De couture laat Vos maken in ateliers in België omdat er in Nederland te weinig vakmensen zijn. Met de couture zet Vos ruim één miljoen gulden om. Door de hoge kosten houdt hij er weinig van over, maar daar staat "publiciteit en plezier' tegenover. De omzet van de confectie ligt rond de veertien miljoen gulden.

Een couturepak van Edgar Vos kost 2000 gulden. Dat is minder dan een confectiepak van een Franse couturier. Volgens Vos is er een enorm verschil tussen Nederlandse en Franse couture. “De Nederlandse couture is wat ontwerp betreft te vergelijken met wat men in Frankrijk demi-couture noemt. Het is maatkleding waarvoor klanten een of twee keer komen passen. Bij de Franse couturiers krijgt de klant eerst een toile aan van het uitgekozen model. Een toile is een model dat uitgevoerd is in ongebleekte katoen. Die toile wordt vermaakt op maat van de klant en daarna nageknipt in voeringstof. Dat voeringmodel wordt binnenstebuiten aangetrokken en daarop wordt dunne gebreide wattine aangebracht op alle delen van het lichaam die niet helemaal perfect zijn, bijvoorbeeld bij te kleine borsten. Er wordt dus als het ware een ideaal lichaam geboetseerd op de voering. Daaroverheen wordt uiteindelijk de stof gemodelleerd. Ik heb dat gezien toen een rijke klant van mij vorig jaar een couturepak bij Chanel liet maken. Ik was met haar meegegaan omdat ik graag wilde weten hoe het daar toegaat. We hebben in totaal zes dagen in een hotel gezeten en elke dag moest er worden gepast. ” De klant van Vos betaalde bij Chanel bijna 40.000 gulden voor haar maatpak, 1000 gulden voor de blouse en 2000 gulden voor de ceintuur.

Een belachelijk bedrag, vindt Frank Govers (59). Ook al is een pak nog zo mooi gemaakt en zit er een etiket van Chanel in, dan nog heb je geen waar voor zoveel geld. De kleren van Govers zelf zijn door de kostbare stoffen, het vele bont en de borduursels ook niet bepaald goedkoop. Govers heeft pakken van 6000, blouses van 1200 en avondjurken van 8, 9, 10 en zelfs 15.000 gulden. De meeste klanten kopen 3, 4 of 5 kledingstukken per seizoen. Alles wordt gemaakt op het eigen atelier boven de winkel aan de Keizersgracht in Amsterdam. Govers zet meer dan twee miljoen aan couture om. Daarnaast krijgt hij royalty's van zijn confectiecollecties voor mannen en vrouwen, en verdient hij aan zijn modeshows waarvoor een flinke entreeprijs gevraagd wordt. In Nederland zit Govers aan het plafond van zijn mogelijkheden. Zijn droom: succes in het buitenland.

Frans Molenaar (50) toont op 31 oktober in Tokio een zomer- en wintercollectie. Hij hoopt dat door die show zijn naam bekend wordt in Japan. Molenaar heeft sinds een paar jaar een licentiecontract met Tokio Soir, een Japanse confectionair met eigen winkels. Een winkel en veertien "shops' in warenhuizen dragen de naam van Frans Molenaar. De op geometrische vormen genspireerde vrouwenkleding van Molenaar blijkt aan te slaan in Japan. In Nederland heeft Molenaar nog geen fabrikant kunnen interesseren voor zijn collectie. Behalve couture ontwerpt hij mannenpakken en bedrijfskleding. Een couturepak van Molenaar kost 4000 à 5000 gulden. Dat is erg duur gezien het vaak bescheiden stofverbruik, de eenvoudige snit en het ontbreken van versierend handwerk. Getallen over zijn omzet wil Molenaar niet kwijt. Wel zegt hij dat het hem financieel buitengewoon goed gaat.

Max Heymans (73) begon in 1938 als hoedeontwerper. In 1953 presenteerde hij zijn eerste couturecollectie. De mode werd in die jaren nog gedicteerd door de Franse couturiers. Dior, Balenciaga, Balmain en Jacques Fath lanceerden elk seizoen een nieuwe lijn: de ligne A, H of Y, de tulplijn en de ballonlijn. Nederlandse couturiers als Heymans en Dick Holthaus wachtten eerst af wat Parijs "gedaan had' voor ze aan hun collecties begonnen. Vandaar dat de shows in Nederland altijd twee maanden later dan die in Parijs waren.

Dat tijdsverschil is inmiddels teruggebracht tot een maand. Maar terwijl de couturiers al ten minste vijftien jaar geen invloed meer op het modebeeld hebben, is de publiciteit gebleven. Alleen Heymans krijgt steeds minder aandacht in de pers, omdat hij zich zó weinig vernieuwt dat er nauwelijks meer iets te vertellen valt over zijn collecties. En dat wat er nog over gezegd kan worden, is weinig opwekkend. De collectie die Heymans anderhalve week geleden presenteerde, is de kleinste die Heymans ooit maakte: achttien stuks. Kleren die van een afstandje nog flair hebben, blijken bij nadere beschouwing gemaakt uit restjes stof of onaf te zijn. Er wordt minder verkocht, er komt minder geld binnen en er kan minder worden geïnvesteerd in nieuwe collecties. Klanten verdwijnen of gaan dood. Het atelier is leeg, er is geen personeel meer. Heymans die nooit heeft leren patroonmaken of naaien, is nu aangewezen op mensen die thuis werken. Heymans: “Annie Schmidt zou zeggen: een hoop verrukkelijke ellende. Ach, het is eigenlijk niets nieuws, moeilijkheden waren er altijd. Ik ben nooit zakelijk geweest, als ik geld had gaf ik het meteen weer uit. Couture maken heb ik nooit voor het geld gedaan, alleen maar voor mijn plezier. En gek genoeg is dat nog steeds zo.”

    • Dieuwke Grijpma