Bloedtransfusie kan succes van transplantatie vergroten

AMSTERDAM, 24 OKT. Patiënten die een niertransplantatie ondergaan zijn er mogelijk bij gebaat eerst een bloedtransfusie te krijgen van dezelfde donor. Een transfusie van een andere donor is waarschijnlijk ook gunstig als de "weefseltypering' maar behoorlijk overeenkomt met die van degeen die het bloed krijgt.

Deze ontdekking van Nederlandse onderzoekers van het Amsterdamse Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusie dienst (CLB) in Amsterdam, het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en de Rijksuniversiteit in Leiden, is vandaag gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijk tijdschrift New England Journal of Medicine.

In principe zouden ook patiënten die andere orgaantransplantaties ondergaan, zoals van hart, long, lever of pancreas, voordeel kunnen hebben van zo'n transfusie. Doordat die organen veel minder lang houdbaar zijn, ontbreekt echter de tijd om goede vergelijkingen te maken tussen de weefseltyperingen van donor en ontvanger. Het is niet uitgesloten dat deze ontdekking op termijn ook van belang is bij dit soort transplantaties, aangezien het steeds beter mogelijk wordt deze organen langer te conserveren.

Pag 2:

Na transfusie minder kans op afstoten nier

De mate van succes van transplantaties wordt gewoonlijk één jaar na de operatie gemeten. Bij niertransplantaties blijkt 80 tot 85 procent van de ontvangers na een jaar nog een goed functionerende nier te hebben. “Dat is een hoog percentage, maar niettemin werkt in ongeveer één op de vijf gevallen de nier na een jaar niet meer naar behoren. Kijk je naar de overleving na vijf en tien jaar, dan daalt het succespercentage naar respectievelijk vijftig en twintig procent. De vraag is dus hoe je dat kunt verbeteren”, zegt dr. L.P. de Waal, arts- immunoloog van het Amsterdamse Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst, die het onderzoek samen met de biologe E. van Twuyver heeft geleid. In Nederland hebben jaarlijks ongeveer vijfhonderd niertransplantaties plaats.

De belangrijkste reden waarom nieren het na verloop van tijd opgeven vormt de afstoting. Het gaat daarbij om een complexe reactie van het afweersysteem tegen lichaamsvreemde cellen. Vooral witte bloedcellen komen in actie als ze deze onbekende "transplantatie-antigenen' tegenkomen. Die antigenen op de celwand van het vreemde orgaan vormen een soort vingerafdruk, die het HLA-systeem wordt genoemd.

Er bestaan drie manieren om afstoting tegen te gaan. De eerste methode is na te gaan of de "vingerafdruk' van de ontvanger overeenkomt met die van de donor. In de praktijk wordt wel gezocht naar absolute gelijkenis, maar in de loop der jaren is gebleken dat er duizenden HLA-typeringen bestaan, zodat het sporadisch voorkomt dat iemand een HLA-identieke nier krijgt.

Een tweede mogelijkheid is het gehele immuunsysteem plat te leggen. Het lichaam is dan eenvoudig niet in staat een nieuw orgaan af te stoten. Het onderzoek naar en de ontwikkeling van dergelijke "immunosuppressieve therapieën' maken grote vorderingen, maar deze medicijnen hebben wel een belangrijk nadeel. Ze werken niet specifiek en schakelen dus de hele afweer uit, zodat patiënten allerlei infecties oplopen die normaal gesproken geen kans krijgen. Bovendien is op termijn de kans op het krijgen van kanker groter.

Een derde optie is het tolerant maken van het afweersysteem voor lichaamsvreemde HLA-antigenen. “Ons onderzoek heeft zich daarop gericht”, zegt De Waal. “Het voordeel is dat een nieuw orgaan niet wordt afgestoten en het immuunapparaat voor het overige in tact blijft.”

Aanleiding tot dit onderzoek is het gegeven dat mensen die voorafgaand aan een niertransplantatie een bloedtransfusie kregen, een betere overlevingskans blijken te hebben dan mensen die niet werden getransfudeerd. “Dat is al sinds het begin van de niertransplantaties het geval. Niemand weet waarom dat zo is. Eerst hebben we experimenten op dieren gedaan en daarbij bleek dat je met het geven van bloedtransfusies kunt zorgen voor een afweerapparaat dat heel specifiek tolerant is voor bepaalde antigenen. We hebben het daarna toegepast op mensen die in Amsterdam op de wachtlijst staan voor een nieuwe nier. De reactie van de proefpersonen bleek tweeledig. In de ene groep werd een sterke immunisatie waargenomen. Dat wil zeggen, door de transfusie kwam het afweerapparaat sterk in het geweer. Er was zelfs een stijging te zien van het aantal afweercellen. In de andere groep daalde het aantal cellen dat het lichaamsvreemde HLA moest aanpakken tot waarden die niet meer waarneembaar waren.”

Nadere analyse van de "HLA-vingerafdrukken' tussen ontvangers en donoren in de ene en de andere groep leerde dat het afweerapparaat toleranter wordt als de HLA-typering van de donor en de ontvanger meer op elkaar lijken. Die mate van overeenkomst is bepalend voor de vraag of het afweerapparaat wel of niet in actie komt.

Als mogelijke verklaring voor dit verschijnsel geven de onderzoekers aan dat een aantal witte bloedcellen van de donor na transfusie achterblijft in het lichaam van de ontvanger. Er is dan sprake van "gemengd chimerisme', een immuunsysteem dat is samengesteld uit cellen van verschillende erfelijke afkomst. De vraag is hoe lang die situatie na een transfusie blijft bestaan. Mocht dat permanent zijn - en dat is niet onwaarschijnlijk - dan zijn geen afstotingsreacties te verwachten.

Volgend jaar wordt in Amsterdam begonnen met klinische experimenten. Patiënten die een nieuwe nier krijgen zullen dan eerst een transfusie krijgen met bloed van - liefst - dezelfde donor.

    • Bram Pols