Zuivelindustrie wil Europees de boer op

De Nederlandse zuivelindustrie is in de ban van schaalvergroting. De statuten van de nieuwe coöperatie Campina Melkunie werden gisteren goedgekeurd door de leden van de twee partners. De zuivel verzakelijkt.

In ras tempo is de omvangrijke Nederlandse zuivelindustrie aan het verzakelijken. Met het verdwijnen van de Europese boterbergen en melkplassen verandert ook het karakter van de goeddeels door drie grote coöperatieve ondernemingen beheerste nationale zuivelsector.

Tot een aantal jaren geleden waren die coöperaties nog sterk gericht op produktie en verwerking van zo groot mogelijke hoeveelheden boter, melkpoeder - de zogenoemde interventieprodukten. Die bulkstrategie heeft plaatsgemaakt voor een meer marktgerichte instelling, met de nadruk op produkten waaraan meer waarde is toe te voegen.

Vroeger kregen de fabrieken te horen hoeveel melk ze moesten verwerken, vandaag de dag moeten de verschillende divisies van de coöperaties zeggen hoeveel melk ze echt nodig hebben met het oog op hun afzetmogelijkheden. Het doel van deze operatie is grofweg te omschrijven als: een plaats te veroveren op de Europese markt en daardoor minder afhankelijk worden van de Europese zuivelsubsidies.

Wie de recente berichten over sanering en reorganisatie bij de grote zuivelcoöperaties volgt, krijgt de indruk dat het slecht gaat in de zuivel. Voor een deel is dat schijn. Bij de bedrijven zelf heerst bepaald geen pessimisme. Ja, er is sprake van overcapaciteit door de EG-quotering en door de grote fusies van de afgelopen jaren moeten wat overlappingen worden weggewerkt.

De sterke concentratie in de sector - door de grote fusies van de afgelopen jaren is de vaderlandse zuivelsector praktisch verdeeld onder de drie grote coöperaties Campina Melkunie, Friesland Frico Domo en Coberco - valt samen met een veranderend Europees landbouwbeleid dat zorgt voor een afnemende melkaanvoer. Door het systeem van de melkquota, waarop elk jaar opnieuw iets wordt gekort, is de melkaanvoer in de EG-landen sinds het topjaar 1986 gedaald van 107 miljoen ton tot 98,9 miljoen ton vorig jaar (in Nederland van 12,3 naar 10,8 miljoen ton). Daardoor is bij de verwerkingsfabrieken overcapaciteit - zuiveldeskundigen schatten het surplus op circa tien procent - ontstaan. Campina Melkunie en Friesland Frico Domo, de nummers één en twee op de Nederlandse markt, hebben de afgelopen tijd forse saneringen aangekondigd. Er gaan bij beide coöperaties enkele overtollige fabrieken dicht, enkele honderden arbeidsplaatsen verdwijnen.

“De shake out in de Europese zuivel is nu echt begonnen”, zegt directievoorzitter A.A. Olijslager van de vorig jaar door een fusie tussen CC Friesland en Noord Nederland ontstane coöperatie Friesland Frico Domo.” Olieslager verwacht nog wel wat slachtoffers onder kleinere zuivelbedrijven in de EG-landen.

Bedrijfssluiting en schaalvergroting zijn in de zuivel trouwens geen nieuwe fenomenen. De geschiedenis van de sector in Nederland van de afgelopen decennia is één grote aaneenschakeling van sanering, fusie en schaalvergroting. In 1960 waren er nog 500 zuivelfabrieken in het land, vorig jaar waren dat er nog maar 95. In diezelfde periode verminderde het aantal werknemers in de zuivelindustrie van een kleine 30.000 tot iets meer dan 18.000.

Door schaalvergroting en automatisering nam wel de investering per werknemer fors toe: van ruim 2600 gulden tot ruim 22.000 gulden. Eenzelfde verschijnsel deed zich voor bij de melkveebedrijven: het totale aantal daalde tussen l960 en l990 weliswaar van l83.230 naar 46.970, maar de omvang van de bedrijven is aanzienlijk gegroeid.

Betekent dat nu dat ook Nederlands traditioneel sterke positie in de zuivelsector wankelt en dat de fusies geen zin hebben gehad? “Geenszins”, zegt directie-voorzitter mr. W. Overmars van Campina Melkunie. “Ik sta voor honderd procent achter de fusie. We zijn er nog niet. Maar Campina en Melkunie wilden beide met consumentenprodukten de Europese markt op. Dat betekende forse investeringen. Voor de bedrijven afzonderlijk zou dat financieel te zwaar zijn geweest.”

Pag 18:

Coöperaties worden gewone bedrijven

Directie-voorzitter Overmars van Campina Melkunie geeft toe dat het lang vasthouden aan de bulkstrategie de grote Nederlandse zuivelconcerns een achterstand heeft bezorgd op een aantal grote Europese - vooral Franse - concurrenten dat veel eerder koos voor consumentenprodukten en dus voor hogere toegevoegde waarde.

“Jarenlang liet het Europees landbouwbeleid toe dat er grote hoeveelheden bulkprodukten - vooral boter en melkpoeder - op de wereldmarkt werden afgezet. De prikkel om consumentenartikelen af te zetten was daardoor niet erg groot.” Maar de Campina Melkunie-topman spreekt tegen dat de coöperaties de efficiency de afgelopen jaren hebben verwaarloosd. “Dat is echt onzin. Wat niet wil zeggen dat sommige dingen niet beter kunnen. Maar kijk alleen eens naar de hoge melkprijs die we onze leden uitbetalen. Dat had anders nooit gekund. Het systeem in Europa staat op dit moment nogal onder druk en dat werkt in Nederland, met zijn relatief grote zuivelsector, sterk door. Wij zijn een van de efficiëntste zuivellanden in Europa. Als wij moeten inleveren - en dat moeten we - gaat dat ten koste van goeie bedrijven. En tegelijkertijd staan we voor de noodzaak die omschakeling te maken naar speciale produkten.”

Voor de toekomst maakt de Nederlandse zuivelsector zich niet al te ernstige zorgen. Overmars van Campina: “De zuivelconsumptie in Europa stijgt nog voortdurend. Er liggen kansen volop, bij voorbeeld in Zuid-Europa waar het zuivelverbruik nog een stuk lager ligt dan in het noorden. Je moet op die markten wel inbreken natuurlijk.”

De nadruk verschuift nu in geforceerd tempo naar produkten als toetjes, speciale drankjes op melk- of yoghurtbasis voor de consumentenmarkt, kaas onder eigen merk en naar industriële produkten en halffabrikaten. Campina Melkunie heeft op deze laatste twee terreinen een aandeel op de wereldmarkt van ruim veertig procent. Die nieuwe strategie vergt van de coöperaties niet alleen meer investeringen, maar stelt ook hele andere eisen aan de ondernemingsleiding, vertelt directeur Olijslager van Friesland Frico Domo.

“Consumentenprodukten als desertprodukten, zuiveldranken etc. vergen een totaal ander marketingbeleid, het betekent meer risico, meer research en ontwikkeling. Tussen nu en vijf jaar zie ik nog het nodige veranderen. De coöperaties gaan in menig opzicht veel meer lijken op gewone ondernemingen, er moet winst op de plank komen. In coöperatieland treedt een enorme verzakelijking op door deze ontwikkelingen.”

Vroeger was het ondenkbaar dat de zuivelcoöperaties zich met de produktie van branchevreemde produkten als margarine, koffie-witmakers en vruchtendrankjes bezighielden. De boeren-eigenaars beschouwden dat als een aanval in de rug. Vandaag ligt dat wel anders.

Olijslager is er zeker van dat zijn leden-melkveehouders de nieuwe strategie niet zullen dwarsbomen, maar haar daarentegen van harte ondersteunen. “Ik zit hier voor de boeren en moet zien dat er geld verdiend wordt. Ik voel als het ware de hete adem van de boeren in m'n nek. Als de melkprijs die wij uitbetalen te laag is, lopen ze weg en trekken ze het tapijt onder je voeten vandaan. Onze leden leveren gemiddeld 300.000 kilo melk per jaar. Dus ga maar na wat dan een of twee cent op de melkprijs hun scheelt. Er komt een hele nieuwe generatie boeren-ondernemers aan, die kijkt echt verder dan het eigen bedrijf, die reist de hele wereld af en ziet dat daar de ontwikkeling niet stilstaat. Trouwens, ze zijn zelf meestal uiterst moderne ondernemers, goed geïnformeerd, goed opgeleid en uitgerust met geavanceerde computersystemen.”

Nederlands grootste zuivelconcerns zeggen geen serieuze financieringsproblemen aan de horizon te zien als gevolg van de coöperatieve structuur van hun ondernemingen. De coöperaties zijn eigendom van de boeren. Zij zijn de kapitaalverschaffers. Ze zijn er met hun hele hebben en houwen van afhankelijk. Er is (nu nog) een hele directe band, materieel en vaak ook emotioneel. De leden zorgen op verschillende manieren voor het vermogen van de coöperatie, een deel loopt via reserveringen (hetzij de zogenoemde "dode hand', hetzij in de vorm van certificaten op naam die de boeren pas na verloop van tijd kunnen incasseren) en een ander deel loopt via de zogenoemde ledenbewijzen die gekoppeld zijn aan de hoeveelheid geleverde melk.

De coöperatie kan voor nieuw kapitaal niet naar de beurs zoals een NV. Bovendien kan er een spanningsveld ontstaan tussen de coöperatie en de boeren die zelf - in verband met de mestproblematiek bij voorbeeld - ook veel geld in hun eigen bedrijf moeten investeren. Campina Melkunie kreeg na de fusie al problemen omdat sommige Melkunie-leden niet instemden met het voorgestelde verplichte karakter van de ledenbewijzen. De nieuwe overkoepelende coöperatie, die juist gisteren de zegen kreeg van de ledenvergadering, schrapte daarop dat verplichte karakter van de ledenbewijzen.

Directeur Overmars van Campina Melkunie verwacht niet dat de financiering tot knelpunten leidt “zolang de melkprijs goed is”. Hij wijst daarnaast wel op de tendens om naar creatieve mengvormen voor de financiering te kijken. De onder andere door de Rabobank en de Nationale Coöperatieve Raad ontwikkelde ideeën voor participatiemaatschappijen komen naar zijn mening mogelijk als deeloplossingen voor het financieren van uitbreidingsplannen en acquisities in aanmerking. Campina Melkunie heeft onlangs voor de financiering van de aankoop van het Belgische familiebedrijf Comelco al een soortgelijke constructie toegepast. Een aantal banken, waaronder de Rabobank, richt samen met het concern een maatschappij op die Comelco overneemt. Na een aantal jaren trekken de banken zich terug. Op deze manier wordt voorkomen dat de investering de melkprijs voor de leden in de eerste jaren te zeer onder druk zet.

Het is volgens Overmars evenmin ondenkbaar dat aantrekkelijke stukken van een coöperatieve onderneming naar de beurs worden gebracht. Maar zover is het voorlopig nog niet. Campina Melkunie (aansprakelijke vermogen 33 procent) hoopt door de nieuwe financieringsopzet het eigen vermogen (nu 22 procent) binnen een jaar of tien te brengen op circa 40 procent. Friesland Frico Domo staat er wat dat betreft wat gunstiger voor: het garantievermogen hier beloopt circa 35 procent. Volgens directievoorzitter Olijslager (pas een half jaar bij "Friesland', daarvoor betrokken bij de privatisering van de Maatschappij voor Industriële Projecten) is er aan de financieringsstructuur van de coöperaties best wat te sleutelen. “Je kunt bij voorbeeld denken aan een soort vermogensaanwasdeling via de ledencertificaten.”

Overmars ziet behalve nadelen ook een aantal heel duidelijke voordelen in de coöperatieve structuur. “Goede kwaliteitsbeheersing bij voorbeeld. Wij hebben ingangen op alle niveaus. De structuur zorgt voor een prima motivatie van je melkleveranciers. En bovendien: je hebt je eigen grondstof. Op zichzelf heeft het coöperatieve systeem, mits goed gefinancierd, zeer grote mogelijkheden.”

De zuivelsector is niet somber over de toekomst. Olijslager van "Friesland': “Wij hebben echt niet het idee dat we in een noodlijdende bedrijfstak zitten. We zitten wel midden in een groot veranderingsproces: van melkgedreven naar marktgericht. Ons streven is overal in de wereld merkprodukten op de plank te zetten. Daarin zijn we trouwens, net als bij voorbeeld Nestl'e, al heel sterk. We hebben al een goeie positie in Azië, met eigen fabrieken. Onze strategie is erop gericht de groei in die landen mee te pakken. Wij hebben nu na een jaar fusie de balans opgemaakt. Volgend jaar moet het huis op orde zijn en moeten er aanzetten komen voor een meer expansief beleid.”

Campina Melkunie heeft op de markt voor de desertprodukten een sterke troef met de Mona-toetjes en is bezig met Mona vaste voet aan de grond te krijgen in Spanje en Groot-Brittannië. De aankoop van Comelco ( omzet 900 miljoen gulden) betekende een aardige uitbreiding van de positie in de consumentenprodukten.

De Nederlandse zuivelsector kijkt bepaald niet met angst en beven naar het verminderen van de Europese landbouwsubsidies. Campina's Overmars: “Het is goed dat dit gebeurt. Dat zeg ik niet lichtvaardig, dat wordt in brede kringen van de melkveehouders gedragen. De Nederlandse melkveehouder is een van de beste van Europa en kan het best de concurrentie aan. De vraag is in welk tempo het zich voltrekt en wat er, in het kader van GATT-onderhandelingen, gebeurt met de toegang van onze produkten op andere markten. Wij kiezen voor minder prijsondersteuning en niet voor verdere quotumkortingen want dan houd je inefficiënte bedrijven in stand. Ik schaam me niet voor het eigen belang op te komen; wij kunnen per slot van rekening toch niet de problemen van alle kleine boeren in andere landen op onze nek nemen?”

    • Ben Greif