Tour de France 1992 ontaardt in promotie-ronde

PARIJS, 23 OKT. Zelf zonder Pyreneeën-etappes (sinds tachtig jaar) kan de Tour de France nog zwaar genoeg zijn om renners die niet kunnen klimmen alle kans op de eindoverwinning te ontnemen. In de Vogezen, de Jura, de Alpen en het Centraal Massief blijken meer dan voldoende uitputtende beklimmingen aanwezig om de Franse wielerronde als belangrijkste wielersportevenement geen gezichtsverlies te doen lijden. De Grand Ballon, de pas naar Sestrières, de Télégraphe, de Croix de Fer, l'Alpe d'Huez en de legendarische Iseran en Galibier zullen bij renners zelfs schrikbeelden oproepen. Menigeen meende gisteren na de bekendmaking van het routeschema van de editie 1992 in Parijs dat de moeilijkheidsgraad in vergelijking met dit jaar zelfs is toegenomen.

Pas in de wedstrijd zal blijken of de Tour van volgend jaar zwaarder is. De vijf Vogezen-cols die in de elfde etappe zijn opgenomen, de vijf Alpen in de dertiende en de vijf in de veertiende garanderen geen uitputtingsslag. Niet het parcours maakt de koers zwaar, maar de renners doen dat, is een aloud gegeven. Belangrijker is wellicht de wetenschap dat de zwaarste ritten in de tweede helft van de Tour op het programma staan. Voor renners die naarmate de ronde vordert beter gaan rijden mogelijk een positief aspect.

Tour-directeur Jean-Marie Leblanc verdedigde het negeren van de Pyreneeën door te zeggen dat hij door de geplande start in San Sebastian de renners niet onmiddellijk met zware bergritten wenste te confronteren. In 1979 bijvoorbeeld moest het peloton een dag na de proloog in Fleurance al de bergen in. Met als gevolg dat kopmannen als die van Raleigh (Lubberding en Wellens) door een onoplettendheid naar de achterhoede werden geslagen en kansloos werden voor een hoge eindklassering.

De Tour-karavaan heeft volgend jaar bovendien haast, omdat Leblanc cum suis na Spanje en Frankrijk ook België, Nederland, Duitsland, Luxemburg en Italië moet aandoen. Dat allemaal ter ere van het jaar van het verenigde Europa. Een reden die weinig met wielersport te maken lijkt te hebben. De Rondom Frankrijk van 1992 (900 kilometer buiten de Franse grens) kan beter worden gerangschikt onder de categorie promotionele activiteiten.

De Tour heeft sponsors nodig, bij voorkeur internationale, beseft de Tour-leiding. “Spanje en Italië verdienen een doorkomst van het Tour-peloton omdat uit die landen tegenwoordig de beste renners komen. Nederland als bewijs van eer aan de duizenden Nederlandse toeschouwers die Frankrijk tijdens de Tour bezoeken”, zei Leblanc gisteren ter verdediging. Maar in 1993 zal de Tour weer volledig Frans zijn, beloofde de directeur.

Zo gemakkelijk is de eerste week van de Tour echt niet. Na een "lange' proloog (acht kilometer) volgt een etappe rondom San Sebastian. Op veertig kilometer van de finish moet de Alto de Jaizkibel worden beklommen, een pas die als scherprechter dient in de klassieker San Sebastian - San Sebastian, het domein van klimmers. Een dag later is in de rit naar Pau "slechts' de Marie-Blanque gepland. Een verraderlijke berg waarop in 1986 Hinault in gezelschap van Delgado probeerde zijn concurrent en ploeggenoot LeMond van zich af te schudden.

Na de een paar dagen - in vergelijking met vorige jaren - opgeschoven ploegentijdrit (63 kilometer), volgt de "noodzakelijke' transfer per vliegtuig van zevenhonderd kilometer van Bordeaux naar Noord-Frankrijk. Mécaniciens, soigneurs en chauffeurs klagen nu al. In de rit van Roubaix naar Brussel is de Muur van Geraardsbergen opgenomen, de kasseienheuvel die in de Omloop Het Volk en de Ronde van Vlaanderen menig renner de schrik op het lijf heeft gejaagd. De Limburgse heuvels die op weg naar Valkenburg beklommen moeten worden, met als apotheose de Cauberg, kunnen bovendien voor een verrassende wending zorgen.

Acht vlakke etappes telt de Tour van 1992, vijf met geaccidenteerd terrein, twee met cols van de midden-categorie, drie ritten in het hooggebergte, en vier tijdritten (twee grote individuele van 68 en 60 kilometer). Er zijn drie aankomsten bergop (l'Alpe d'Huez, Sestrières en la Bourboule) en vijf cols boven de 2000 meter (vorig jaar slechts één). De meeste aandacht gaat uit naar de dertiende en veertiende rit. In de eerste worden de renners geconfronteerd met de col des Saisies (1633 m), de Cormet de Roseland (1968), de Iseran (met 2770 het "dak' van de Tour), de Mont Denis (2083) en Sestrièrs (203). In de tweede met de Montgenèvre (1850), de Galibier (2646), de Télégraphe (1670), de Croix de Fer (2068) en l'Alpe d'Huez (1860). Waarna het peloton nog een week nodig heeft om via het Centraal Massief in Parijs te komen.

Vergeleken met dit jaar is in de editie van 1992 slechts sprake van een lichte verschuiving van accenten. Renners als Bugno, Indurain, LeMond, Chiappucci en eventueel Breukink zullen de dienst uitmaken. Deze specialisten missen dit keer de aanwezigheid van een klimtijdrit, het spectaculairste en vaak doorslaggevende onderdeel. De sprinters krijgen daarnaast voldoende kansen om hun snelheid te etaleren, vooral in het slotcriterium in Parijs. De Tour-directie heeft namelijk op de laatste dag op een afgesloten circuit een etappe tussen de wijk La Defense en de Champs Elyseés gepland.

Leblanc zei gisteren er nog altijd voor te waken dat de Tour niet ten prooi valt aan het gigantisme. Zijn plan om ter wille van de veiligheid slechts twintig ploegen van negen renners toe te laten, heeft hij echter nog een jaar moeten opschuiven. In 1992 mogen nog 22 teams starten, zestien op basis van hun klassering in het FICP-klassement na de Ronde van Spanje, zes op basis uitnodiging. Hij beloofde in elk geval het aantal volgers te willen beperken. Minder motoren, minder journalisten en vooral minder genodigden. De Tour mag geen dierentuin worden.

    • Guus van Holland