Lubbers wist al langer van plan voor leger Europa

DEN HAAG, 23 OKT. Premier Lubbers was al weken vóór publikatie op de hoogte van het Frans-Duitse plan voor een Europese strijdmacht. Bondskanselier Kohl had hem in een persoonlijk gesprek op de hoogte gesteld van de voornemens die vorige week plotseling werden geopenbaard. Kohl zegde Lubbers in dat gesprek toe bij de definitieve formulering van het plan rekening te zullen houden met een aantal opmerkingen en bezwaren van de Nederlandse premier.

Kohl sprak Lubbers op 2 oktober 's avonds in zijn ambtswoning in Bonn. Dat was twee dagen nadat het Nederlandse voorstel voor een Europese Politieke Unie in de EG-ministerraad radicaal was afgewezen. Op 2 oktober overlegden de beide regeringsleiders circa drieëneenhalf uur met elkaar.

Enkele keren liet Kohl medewerkers halen, die in een andere kamer op afroep beschikbaar waren om specialistische onderdelen toe te lichten.

Bij die gelegenheid gaf de kanselier deze medewerkers strikte opdracht om de Nederlandse premier daarna elke informatie te blijven geven die hij wenste. Op zaterdag 12 oktober kwamen de beide hoge ambtenaren uit het Bundeskanzleramt naar Den Haag, waar zij Lubbers nog eens een toelichting van ruim drie uur gaven op het definitieve voorstel dat hij pas op maandag 14 oktober formeel van Kohl en president Mitterrand zou krijgen, voorzien van een begeleidende brief.

Kohl en Mitterrand hadden het voorstel formeel naar Lubbers toegestuurd in diens functie van voorzitter van de Europese Raad. Lubbers diende ook zorg te dragen voor verdere verspreiding naar de andere EG-hoofdsteden, wat hij op dinsdag 15 oktober deed. De volgende dag was er een Kamerdebat over de verdragen ter beperking van conventionele wapens in Europa (CFE). Daarin kwam ook het plan Kohl- Mitterrand ter sprake, waarvan die ochtend de grote lijnen waren uitgelekt. Na afloop van dit debat begaven de ministers Van den Broek (buitenlandse zaken) en Ter Beek (defensie) zich naar de werkkamer van Lubbers in het Torentje aan het Binnenhof. Men wilde zijn standpunt bepalen ten aanzien van het plan.

Pag 3:

Premier ziet meer in leger dan v.d. Broek

In zijn werkkamer deelde Lubbers de ministers mee dat hij het plan het liefst naar de Tweede Kamer zou sturen. Hij had twee verschillende ontwerpen voor een begeleidende brief. De ene versie was neutraal van aard, met als essentie de mededeling dat het om een interessante bijdrage ging aan de verdere discussie over het Europese buitenlandse en veiligheidsbeleid. De andere versie was veel positiever en stelde het Frans-Duitse plan voor als iets dat vanaf nu centraal zou moeten staan in de verdere gesprekken tot de EG-topconferentie in december in Maastricht.

Lubbers gaf duidelijk de voorkeur aan de positieve versie. Van den Broek reageerde daar echter sterk afwijzend op. Hij wilde, als verantwoordelijke minister voor het buitenlands beleid, niets horen van een omarming van het Frans-Duitse plan, dat naar zijn mening veel te onduidelijk was over de relatie met het Atlantisch bondgenootschap. Ook Ter Beek had allerlei vragen, onder andere op het punt van de relatie tussen de Europese strijdmacht en de NAVO, maar verder stond hij duidelijk meer aan de kant van Lubbers dan aan die van Van den Broek.

Lubbers besloot daarop het Frans-Duitse stuk nog niet aan de Kamer te zenden. Op het moment van het gesprek in het Torentje werden in Bonn en Parijs allerlei details bekendgemaakt en werden de betreffende stukken gewoon aan de pers uitgereikt. De volgende morgen kwam de Rijksvoorlichtingsdienst met een kort persbericht, waarin van de ontvangst van het voorstel van Kohl en Mitterrand gewag werd gemaakt. Lubbers had in dit persbericht willen uitspreken dat de voorstellen waren ingediend “volgens de gebruikelijke procedures”. Als concessie aan Buitenlandse Zaken werd dat zinnetje echter geschrapt. Buitenlandse Zaken was immers niet geraadpleegd.

In tegenstelling tot Lubbers wisten echter ook de Duitse en de Franse ministers van buitenlandse zaken en defensie slechts bitter weinig van het voornemen van hun chefs. Het hele plan was in het Kanzleramt en in het Elysée voorbereid, waarbij de ambtenaren die met de voorbereiding belast waren duidelijk te kennen was gegeven dat zij zo weinig mogelijk contact moesten opnemen met de ministeries van buitenlandse zaken en defensie.

De ministers van buitenlandse zaken Genscher en Dumas wisten slechts dat er "iets' gaande was, maar zij hadden bijvoorbeeld geen idee dat het plan was verbonden met de samenstelling van een Europese strijdmacht, met als kern een Frans en een Duits legerkorps van in totaal ten minste 50.000 man. Genscher kreeg de details tijdens een reis door Kazachstan in de Sovjet-Unie. Volgens meereizende correspondenten zweeg hij het plan vervolgens dood.

Minister van defensie Stoltenberg hoorde de details van het plan onderweg via het radio-communicatiesysteem in het vliegtuig naar het NAVO-overleg op Sicilië op woensdag 16 oktober. Op Sicilië werd hij onmiddellijk belaagd door collega's die wilden weten wat er aan de hand was. In het geheime overleg van deze Nucleaire Plan Groep, waarin de Fransen niet zijn vertegenwoordigd, zette de Duitse minister, volgens informatie van het weekblad Der Spiegel, naderhand uiteen dat het slechts om een “aanzet” ging voor een Europese veiligheidsunie. Over de Europese strijdmacht moest nog allerhande worden “opgehelderd” en Bonn noch Parijs wilde de NAVO verzwakken. Aldus Stoltenberg.

De Franse minister van buitenlandse zaken, Dumas, die de zondag tevoren met zijn collega van defensie Joxe op bezoek was geweest bij de collega's Hurd en King in Londen, sprak in het geheel niet over het Frans-Duitse plan, dat de volgende dag naar premier Lubbers zou worden gestuurd en dat dus al geheel klaar was. Naderhand ontdekte men in Londen dat het Franse tweetal hen geen streek had geleverd, maar dat zij de details van het plan niet kenden en evenmin wisten dat publikatie ervan op handen was.

Het hele gesprek tussen Genscher, Dumas en de Spaanse minister van buitenlandse zaken, Ordonez, dat op vrijdag 11 oktober in Parijs was gevoerd en waarover zoveel opschudding was ontstaan, ging, zo is nu duidelijk, ook niet over de plannen die enkele dagen later naar buiten kwamen. In feite zaten de ministers daar, zonder het te weten, in een soort vacuüm met elkaar te overleggen over hun ideeën voor de positie van de Westeuropese Unie tegenover de Europese Gemeenschap.

Die ideeën zijn overigens niet in tegenspraak met hetgeen in het Frans-Duitse voorstel staat. Maar er zijn wel verschillen. In de berichtgeving over de Duits-Frans-Spaanse ontmoeting in Parijs wordt melding gemaakt van besluitvorming bij meerderheid van stemming, die Frankrijk nu ook voor een deel van het buitenlands en veiligheidsbeleid zou aanvaarden. In het stuk van Kohl en Mitterrand is hiervan niets terug te vinden. Ook de positie van de Europese Raad met betrekking tot het buitenlandse en veiligheidsbeleid blijft buiten beschouwing.

In een brief van vorig jaar december hebben Kohl en Mitterrand al aangegeven dat zij voor de Europese Raad een centrale functie zien weggelegd, waar het om buitenlands en veiligheidsbeleid gaat. In een sterk door Buitenlandse Zaken geïnspireerde brief hebben Lubbers en Van den Broek op dat aspect destijds tamelijk sterk afwijzend gereageerd.

De relatie met het Atlantisch bondgenootschap van de Europese veiligheids- en defensiecomponent ontbreekt niet in het Frans-Duitse stuk, maar de uitlatingen beperken zich tot de stelling dat door de versterking van de Westeuropese Unie de verplichtingen tegenover de NAVO “niet worden aangetast”. In een Brits-Italiaans voorstel van 4 oktober is die relatie met de NAVO veel duidelijker geformuleerd. Daar wordt gesproken van de WEU “als de defensiecomponent van de Politieke Unie en als het middel om de Europese pijler van de Alliantie te versterken”.

Tijdens het overleg van de ministers van buitenlandse zaken van de EG in Haarzuilens op 5 en 6 oktober vroeg minister Van den Broek zich af of het Brits-Italiaanse stuk en de Frans-Duitse ideeën, zoals die op dat moment van de ministers van buitenlandse zaken bekend waren, samengebracht konden worden. Minister Dumas wees dat idee radicaal af, omdat dit een “huwelijk van water en vuur” zou zijn.

    • Rob Meines