Foltering kenmerk noodtoestand Egypte

ROTTERDAM, 23 OKT. Het folteren van politieke gevangenen blijft een van de kenmerken van de noodtoestand die sinds 1981 in Egypte van kracht is. De Egyptische regering heeft sinds de moord op president Anwar Sadat op 6 oktober 1981 dergelijke praktijken door de Staatsveiligheidsdienst (SSI) toegelaten, aldus de organisatie voor de rechten van de mens Amnesty International.

In een vandaag gepubliceerd rapport getiteld Egypte, Tien Jaar Foltering, maakt Amnesty melding van ernstige mishandeling van honderden politieke activisten en hun verwanten. De Egyptische regering stelt dat foltering uitzondering is. Maar Amnesty schrijft een steeds toenemend aantal meldingen van foltering binnen te krijgen en maakt daaruit op dat het een systematische misstand betreft. Bovendien hebben civiele rechtbanken vele compensatie-eisen van slachtoffers van foltering toegekend, waarmee ze de praktijken erkenden hoewel de daders zelden worden geïdentificeerd.

Politieke gevangenen, aldus Amnesty dat vele slachtoffers heeft gesproken, worden geblinddoekt, ontkleed en aan hun polsen aan deuren of aan getraliede ramen opgehangen, soms in verwrongen posities. Slachtoffers hebben beschreven hoe ze werden gedwongen op hun rug te liggen, de handen en voeten gebonden, met stoelen onder hun oksels en tussen hun knieën, terwijl elektrische schokken werden toegebracht. Tussen foltersessies door moesten ze urenlang in onnatuurlijke posities staan, vaak met armen en benen uitgestrekt, en werden ze geslagen als ze bewogen. Sommigen zijn seksueel misbruikt. Een doofstomme man werd maandenlang geslagen in een poging hem te doen spreken.

Behalve fysieke marteling zijn politieke gevangenen ook bedreigd met moord en verkrachting. Sommigen hebben te horen gekregen dat ze krankzinnig of impotent zouden worden als resultaat van marteling; anderen werd meegedeeld dat hun vrouwen voor hun ogen zouden worden gefolterd of verkracht.

De Egyptische minister van binnenlandse zaken heeft krachtens de noodtoestand de bevoegdheid “verdachte personen of hen die openbare orde of veiligheid in gevaar brengen” te arresteren en aan te houden. Deze brede formulering vergemakkelijkt volgens Amnesty de vaak willekeurige aanhouding van duizenden individuen. Dezen kunnen, op grond van de noodtoestand, langdurig zonder vorm van proces van de buitenwereld afgezonderd worden gehouden, wat allemaal de folterpraktijken in de hand werkt.

De meeste politieke gevangenen die aan foltering of slechte behandeling worden onderworpen zijn vermeende leden of sympathisanten van islamitische groepen, of hun verwanten. Velen zijn herhaaldelijk opgepakt en vastgezet, en hebben cumulatief jaren zonder enige veroordeling gevangen gezeten. Maar ook handarbeiders, artsen, docenten, advocaten en journalisten zijn opgepakt en gefolterd. Onder recente slachtoffers zijn kinderen van 15 jaar oud en vrouwen en vrouwelijke verwanten van vermeende politieke activisten die voortvluchtig zijn.