Een en ander

Als je zo de interviews met ze leest krijg je de indruk dat veel Nederlandse toneelregisseurs worstelen met een persoonlijke crisis.

Dat is op zich niet eigenaardig, daar worstelen veel andere Nederlanders ook mee.

Het eigenaardige van de regisseurs is dat ze met hun crisis iets willen doen.

Op het toneel, welteverstaan.

Niet in de beslotenheid van hun huiskamer, niet in hun slaapkamer, niet bij de psychiater, niet gedurende een meditatie-weekend in een tochtig retraitehuis van waaruit de drie laatste monniken al een halve eeuw geleden de benen namen omdat ze de eenzaamheid - en de tocht - niet konden verdragen - nee, op de planken, ten overstaan van publiek, in de warme omhelzing van een gedeeld kunstgenot.

Ze proberen "toneelmatig' gestalte aan hun persoonlijke crisis te geven, er dramatisch mee te experimenteren, ze willen hun huiselijke sores in de theaterruimte laten uitdiepen en sublimeren, ze willen zien hoe de voorstelling met hun crisis "op de loop' gaat, of hoe ze het ook noemen, onze regisseurs.

Met hun identiteitscrisisje hier, hun leeftijdscrisisje daar.

Nu heeft in de loop der eeuwen de toneelliteratuur gezorgd voor een indrukwekkend reservoir van crisissen, de ene nog dramatischer dan de andere. Voor prachtige, hooglopende crisissen, klaar om ons voorgeschoteld te worden.

Opdat wij huiveren en geheel gesublimeerd de zaal verlaten.

Daar hoor je regisseurs zelden over.

Het zal niemand verbazen dat regisseurs aan particuliere inzinkingen lijden, laat staan dat iemand ze dat kwalijk zal nemen. Regisseurs zijn ook maar mensen en we leven in een tijd waarin elke ontevredenheid en elk ongemak een publieke crisis is.

De regisseur zelf verbaast het wel.

Ze vinden het "uniek materiaal' en een "authentiek uitgangspunt'.

Pas las ik weer zo'n interview met een theatermaker.

Hij vertelde nauwelijks iets over toneel en alles over zijn crisis.

Hij sprak omfloerst over de moeilijkheden van het ouder worden en dat daardoor zijn opvoeringen zo'n "pastelkleur' hadden gekregen. Hij sprak bedroefd over het zoeken naar zijn identiteit en dat hij daar, sinds zijn vrouw hem had verlaten, met medeneming van de kat en de parkiet, in zijn mise en scène iets mee was gaan doen.

Nukken en tegenslagen tot theatervisie verheven.

De laatste jaren had hij gewerkt met stukken van Shakespeare, Beckett en Jan Cremer, werd er terloops bij vermeld.

Wellicht zijn het fraaie opvoeringen geweest. Het betreft hier mogelijk een eersterangs regisseur. Maar daar gaat het me niet om. Het gaat me er om dat ik hem, gedurende het hele interview, met niet één woord hoorde reppen over de mogelijkheid dat Shakespeare, Beckett of Jan Cremer in hun werk ooit maar de lichtste crisis zouden hebben aangestipt.

In zijn theatervisie leken het nogal suffige, ideeënloze heren, net goed genoeg om door zijn huishoudelijke problemen te worden ingekleurd.

Als ik zeg dat elke regisseur zijn persoonlijke stempel op een opvoering drukt, dan zeg ik dat alle Chinezen geel zijn. Aan elk toneelstuk voegt de regisseur zijn hoogsteigen laag toe. Dat is het recht van de regisseur. Dat is de taak van de regisseur.

Goede literatuur maakt dat mogelijk. Accenten kan men naar eigen voorkeur leggen, karakters naar eigen inzicht interpreteren. Als ik zeg dat een grote mate van flexibiliteit een vereiste is voor repertoirehoudend toneel, zeg ik dat alle Chinezen spleetogen hebben.

Maar het is iets anders wanneer de stukken van Shakespeare, Beckett of Jan Cremer worden gepresenteerd als aangebrande kliekjes die alleen nog dankzij een regisseurssaus te genieten zouden zijn.

De toegevoegde laag moet wel aansluiten bij het hoofdgerecht.

Dat die laag van huisbakken getob over het oneindige leed van de middelbare leeftijd en van de vrijgezel die de weg kwijt is bij dat gerecht zou passen, getuigt van ernstige zelfoverschatting bij de regisseur.

Hij zou de ware conflicten aan de literatuur moeten overlaten - om die conflicten vervolgens, naar het hem uitkomt, aan te kleden en te becommentariëren. Al zijn eigen crisisjes bij elkaar leveren niet één behoorlijke crisis op. Behalve een toneelcrisis.

    • Gerrit Komrij