De Duitse kas

DE POLITICI in Bonn hebben deze week een kritische boodschap ontvangen, eenstemmig verzonden door de Bundesbank en de vijf grote economische instituten die de regering adviseren. De schulden van de Duitse overheden zijn heel snel veel te hoog geworden. Dat jaagt de rente op, wat ook voor de Europese buren vervelend is. Er moet dringend worden bezuinigd. De CAO's zouden, schrijven de economen, eigenlijk moeten worden opengebroken. Zij zijn, met reële stijgingen van zes tot zeven procent, over de hele linie veel te royaal uitgevallen.

Door deze loonexplosie en door het per 1 juli jongstleden effectief geworden extra belastingprogramma van 36 miljard mark tot eind '92, is de inflatie in de Bondsrepubliek in goed een jaar tijd bijna verdubbeld (tot circa vier procent). In de vroegere DDR wordt bij de inkomensvorming te weinig op de kwaliteit van de arbeid en de produktiviteitsontwikkeling gelet. De doelstelling om tot 1994 de lonen en sociale uitkeringen in Oost- en West-Duitsland gelijk te trekken is daarom niet alleen ambitieus, maar ook riskant.

WANT DIE politiek-psychologisch begrijpelijke doelstelling kan leiden tot een nog sneller versterf van Oostduitse bedrijven, wellicht zelfs van nagenoeg de hele Oostduitse industriële structuur zelf. Dan dreigt Oost-Duitsland inderdaad de verlengde “werkbank” van West-Duitsland te worden.

Dat is, kort samengevat, het ernstige economische vermaan aan de Duitse regeringscoalitie en de sociale partners. Dat is geen nieuws, de Duitse schatkistbewaarder Waigel is immers van plan om zijn grote tekorten in een paar jaar te redresseren, kan men zeggen. Iedereen, in feite ook de vakbeweging, is het er intussen over eens dat het iets te hard is gegaan met de nieuwe CAO's. De kosten der Duitse eenwording en de uitgaven in Oost-Europa zijn weliswaar gigantisch, maar de Westduitse economie is sterk en de D-mark nog steeds hard, kan men ook zeggen.

Dat is allemaal waar, maar de geadresseerde politici in Bonn moeten er nu wel voor zorgen dat langzamerhand, twee jaar na de omwenteling in de DDR en Oost-Europa, de bakens worden verzet. De gekozen verhouding van 1 op 1 tussen D-mark en Ost-mark bij de Duitse monetaire unie op 1 juli 1990, de geërfde Oostduitse en de nadien aangegane verplichtingen jegens de Sovjet-Unie, het aanvankelijke besluit om geen fiscale of andere offers voor de Duitse eenwording te vragen, het “omvallen” van minister Schäuble (binnenlandse zaken) in het CAO-gevecht met de overheidsbonden (dat ook elders de deur verder openzette) - het waren allemaal gebeurtenissen die om buitenlands-politieke, sociaal-psychologische of electorale redenen wel te verklaren waren.

IN BONN is om allerlei redenen het politieke en publieke “momentum” van de Duitse eenwording niet echt gebruikt om grote financiële wissels anders te zetten. Dat moet alsnog gebeuren, maar is nu dubbel moeilijk. Een voorbeeld: FDP-minister Helmut Haussmann (economische zaken) waarschuwde vorig jaar almaar tegen teveel subsidies en te hoge CAO's terwijl zijn collega en partijvriend Genscher als een moderne Sint Nicolaas door Oost-Duitsland trok. Genscher voerde de FDP in de Bondsdagverkiezingen naar een mooie score van elf procent, Haussmann moest aansluitend in de kabinetsformatie het loodje leggen. Nu vecht zijn opvolger Möllemann met luide ultimata maar nog tamelijk vruchteloos voor beperking van subsidies en andere overheidsbesparingen.

Kritische economen-boodschap aan Bonn: oppassen, want anders gaat de kas er met de Duitsers vandoor.