Algemene staking in Asturiëtegen de regering in Madrid

MADRID, 23 OKT. Asturië, één van de noordelijkste provincies van Spanje, staakt vandaag tegen de regering in Madrid. Niet alleen winkels en bedrijven maar ook hotels en restaurants, trein- en busstations, benzinestations en tolwegen zijn gesloten uit protest tegen het verlies van veertigduizend banen in de mijnbouw en de staalindustrie. In sommige kerken wordt zelfs geen mis opgedragen. Werkgevers uit de bouwsector steunen het door de vakbonden georganiseerde protest, terwijl de algemene werkgeversvereniging haar "begrip' voor de acties heeft uitgesproken.

De provincie Asturië is voor haar inkomsten en werkgelegenheid bijna geheel van drie sectoren afhankelijk, die alle drie in moeilijkheden verkeren. Landbouw en veeteelt ondervinden jaarlijks meer concurrentie door de vorming van de EG, terwijl schaalvergroting door het bergachtige karakter van de streek onmogelijk is. De mijnbouw is al geruime tijd niet meer rendabel; het delven van kolen uit de oude schachten is op sommige plekken vier keer zo duur als elders in Europa. De staalindustrie ten slotte is verouderd en kan de competitie met de Westeuropese hoogovens al evenmin aan. Bijzonderheid is daarbij dat deze laatste twee sectoren, die verantwoordelijk zijn voor 45 procent van de werkgelegenheid in de streek, vrijwel geheel in handen zijn van de overheid via de staatsholding INI.

Achtereenvolgende ministers van economische zaken hebben sinds het herstel van de democratie geprobeerd de staatsbedrijven te saneren, maar de verslechtering van hun resultaten gaat aanzienlijk sneller dan het scheppen van nieuwe werkgelegenheid voor de anderhalf miljoen Asturiërs. Recente investeringen van het Amerikaanse chemieconcern DuPont en het Duitse constructiebedrijf Thyssen zijn bij lange na niet voldoende om een economische crisis af te wenden. De staatsindustrie is in zijn eentje immers verantwoordelijk voor meer dan een kwart van de werkgelegenheid in Asturië en voor meer dan de helft van de toegevoegde waarde in de regionale industriesector. In Madrid wordt een koude sanering inmiddels onvermijdelijk geacht, alleen al omdat het structureel subsidiëren van verlieslijdenede bedrijven in strijd is met EG-bepalingen op dit gebied.

Premier Gonzalez treft dezer dagen het verwijt dat hij zich meer om de internationale politiek - te weten: de komende vredesconferentie voor het Midden-Oosten in Madrid - bekommert dan om de problemen in eigen land. Dat is een variant op een oud verwijt. Voor de sociaal-democratische regeringspartij PSOE is de nieuwe aanvaring met de vakorganisaties echter uitermate pijnlijk en dat deze zich juist in Asturië afspeelt geeft de kwestie een extra emotionele lading. De mijnwerkersopstand die in 1934 in Oviedo begon, vormde immers in veel opzichten het voorspel tot de Spaanse burgeroorlog. Onder leiding van generaal Franco, die namens de Republikeinse regering de opdracht had de opstand te onderdrukken, werden destijds duizenden mijnwerkers standrechtelijk geëxecuteerd. Niet alleen Franco plaatste zich daarmee nadrukkelijk op de voorgrond van het nationale toneel, ook de vrouwelijke communistenleider Dolores Ibarruri ("La Pasionaria') verwierf door deze confrontatie haar eerste bekendheid. De herinnering aan toen, zo blijkt dezer dagen uit uitlatingen van Asturiërs, speelt in het huidige conflict met Madrid nog altijd mee.