Tories wimpelen vragen over recessie af

Met het ontsteken van de kerstkaarsjes, dit jaar officiëel op 6 november in Oxford Street in Londen, flakkert ook de hoop op economisch herstel op. Er zijn voorzichtige tekenen, dat de bodem van de recessie is bereikt. De organisatie van Britse industriëlen, CBI, rapporteert “hier en daar” signalen van terugkerend optimisme in het bedrijfsleven. De detailhandel verkocht, voor het eerst in een jaar, in september jl. weer ietsje meer in de winkels dan in dezelfde maand van het vorig jaar. Haar hoop is gevestigd op de aanloop tot de Kerst, traditioneel de periode waarin de Britse consument zijn grootste bestedingen doet.

De Britse Conservatieve regering hoopt met iedereen mee en haast zich te wijzen op elk teken van leven. Zij heeft de beloofde economische ommekeer hard nodig uit verkiezingsoogpunt. Uiterlijk in juni - premier Major mag beslissen wanneer precies - loopt het mandaat van het zittende parlement ten einde.

De kans dat minister van financiën Norman Lamont uit verkiezingsoverwegingen nog vóór die datum een procentje belastingverlaging kan aankondigen, lijkt inmiddels geheel verkeken. Op het laatste Conservatieve partijcongres, begin oktober, herhaalde Lamont dat het de bedoeling van zijn partij is om het laagste tarief voor de inkomstenbelasting terug te brengen naar 20%. De zaal klapte al, vóór Lamont er haastig aan toevoegde: “in een volgend parlement”.

Langzaam, maar zeker en profiterend van het corset van het Europees Monetair Stelsel (EMS) heeft de minister in het afgelopen jaar met halve procenten tegelijk de wurgend hoge bankrente teruggebracht en tegelijk het pond sterling op koers gehouden. Die knellende strop van hoge rentes heeft echter lang genoeg aangesnoerd gezeten, om voorlopig onherstelbare schade in het bedrijfsleven en ontslagaanzegging voor 2,5 miljoen werknemers te veroorzaken.

De industriële malaise en de sterk gestegen werkloosheid hebben op hun beurt voor sterk gestegen kosten in de overheidsuitgaven gezorgd. Er was een periode, vóór John Major premier werd, dat “staatslening” in regeringskring net zo'n vies woord was als “federaal”. Premier Thatcher placht het voorbeeld van het huishoudboekje te gebruiken, om duidelijk te maken dat inkomsten en uitgaven elkaar idealiter in evenwicht behoren te houden. Uitstaande leningen door de staat werden onder Nigel Lawson tegen het eind van de jaren tachtig, de bloeiperiode, afgelost. Lawson werd daarbij geholpen door de extra inkomsten uit lucratieve privatisering van staatsbedrijven: British Telecom, British Gas en British Petroleum bijvoorbeeld.

Maar dit jaar moet de staat weer met de pet in de hand de markt op en voor een veel groter bedrag dan door Lamont in maart jl. was begroot. Oorzaak daarvan zijn de achterblijvende inkomsten uit belasting en de gestegen uitgaven voor sociale zekerheid, beide een direct gevolg van de recessie. In plaats van een tekort van 8 miljard pond verwachten analisten in de City aan het eind van dit jaar een tekort van 10 tot 12 miljard pond over het financiële jaar 1991-1992. Die verslechtering zal mogelijk oplopen tot misschien 20 miljard pond (circa 3% van het bruto nationaal product)in 1992-1993.

De inkomsten zijn minder, ondanks het feit dat de regering bij de laatste begroting een BTW-verhoging van 15 naar 17,5% heeft ingevoerd. Veel valt er verder, na verkoop van het overgebleven staatsaandeel in British Telecom, volgende maand, niet meer lucratief te privatiseren. British Rail, een van de laatst overgebleven kandidaten voor die behandeling, wil maar niet op eigen houtje winstgevend worden, ook al kost een jaarabonnement vanuit pakweg Doncaster, anderhalf uur reizen naar Londen, de forens sinds de prijs verhoging van vorige week inmiddels evenveel als de aanschaf van een autootje.

In hun "leg-alleen-de-nadruk-op-goed nieuws-tactiek' hebben de Britse ministers het afgelopen jaar vragen over de economische recessie steeds zoveel mogelijk afgewimpeld door meteen te beginnen over de “opmerkelijke exportcijfers”. Het is waar dat Groot-Brittannië meer - en dan vooral (Japanse) auto's - exporteerde dan welk van haar Europese partners ook, maar dat was voornamelijk een gevolg van het feit dat de Britse consument tijdens de recessie geen beroep deed op de binnenlandse produktie.

Tegelijkertijd bleef in met name de afzetmarkt Duitsland de economie groeien. Dat leidde verschijnsel heeft ertoe geleid dat het omvangrijke handelstekort, voor 1991-1992 begroot op 6 miljard, in de afgelopen maanden kleiner leek te worden. Maar nu de groei in de Duitse economie terugloopt en herstel op die andere belangrijke afzetmarkt, de Verenigde Staten, nog niet overtuigend is, vrezen City-analisten dat het aantrekken van de binnenlandse vraag - hoe welkom in vele opzichten ook - de door recessie verzwakte Britse industrie opnieuw boven het hoofd zal groeien. In dat geval zullen buitenlandse bedrijven de goederen leveren, waaraan bij de Britse consument vraag is. Een groeiend handelstekort doemt dan weer op aan een toch al fiks bewolkte horizon.

Met de naderende verkiezingen zullen regering en oppositie elkaar om het hardst de bal van economisch wanbeheer toespelen. Labour zegt dat de Conservatieven weten dat ze een zinkend schip bemannen en dat “de tragedie is dat ze een stuk Britse industrie met zich mee naar de diepte slepen.” De Tories slaan terug door twijfel te zaaien aan Labour's geloofwaardigheid als een goed beheerder van 's lands economie. Zij zeggen dat Labour's beloften voor een nieuwe regeerperiode zeker 35 miljard pond gaan kosten, geld dat “ongetwijfeld” gevonden gaat worden uit belastingverhoging. Dat argument van de Tories wordt echter zwakker, nu de zittende regering vorige maand alleen al 3 miljard pond méér nodig bleek te hebben dan de belastingbetaler op haar voorstel in de schatkist had gedeponeerd.