Na vierenveertig jaar terug in Praag

Het is een merkwaardig gevoel om de stad, waar ik vóór de staatsgreep - drieënveertig jaar geleden - heb gewoond, opnieuw te gaan verkennen. In het algemeen ben ik de richting in het centrum nog niet kwijt, maar verbouwingen en geblokkeerde wegen die mij dwingen een andere route te volgen, kunnen mij danig in verlegenheid brengen. De namen van straten, nu veelal weer in oude glorie hersteld, kan ik mij slechts vaag herinneren en soms schaam ik me als ik weer naar de plattegrond moet grijpen.

Voor het wintersemester ben ik aangesteld als gasthoogleraar aan een der drie theologische faculteiten (Hussietisch-Grieks-Orthodox) die de Karel-universiteit thans rijk is. Als ordinarius geniet ik een wedde van 4500 Kcs per maand bruto. Volgens de Nederlandse koers - de kroon is ongeveer gelijk aan de Belgische frank - is het een vetpot die een bijstandsmoeder mij zeker niet zal benijden. Maar men moet niet mechanisch vergelijken. Diverse zaken, het eten, drank, boeken en het openbaar vervoer zijn naar onze maatstaven gemeten spotgoedkoop; zelfs voor de geïmporteerde Gauloises betaal ik minder dan in Nederland.

Door de Tsjechoslowaakse studenten ben ik gewoon aangedaan. Zij zijn braaf en beleefd, zelfs degenen die zich door een gewaagde kleer- en haardracht trachten te profileren. Hanekammen heb ik goddank niet onder mijn gehoor, ook geen skinheads die blijkbaar uit een ander milieu worden gerecruteerd. Bij het binnenkomen in de collegezaal staat men op zodat ik het vriendelijk gebaar dat ik in de jaren zestig nog maakte om mijn gehoor tot zitten gaan te bewegen, weer uit de motteballen moet halen. In mijn eerste college, gewijd aan de Tsjechische geschiedenis haalde ik een Latijnse bron aan. Toen ik de verwarde blikken opmerkte, vroeg ik of men Latijn kende. Het antwoord was unisono ontkennend. Nu houd ik er voortaan rekening mee. Of het met de rooms katholieke theologen beter gesteld is weet ik niet.

Op een bruiloft die ik min of meer toevallig meemaakte, leerde ik een bijzondere man kennen. Een nogal strijdbare regionalist uit Oost-Slowakije, uit de streek die Saris heet, ooit een graafschap in het koninkrijk van St. Stephanus. Hij is voorstander van een gemeenschappelijke Tsjechoslowaakse staat en hij vreest Bratislava meer dan Praag. Over de huidige Slowaakse leiding spreekt hij met respect. Dat spreken doet hij zelfbewust in eigen dialect dat duidelijk tegen het Pools, onderscheidenlijk Roetheens aanleunt en voor mij die het algemeen beschaafd Slowaaks hanteert, vrij moeilijk te volgen is. Dat algemeen beschaafd Slowaaks evenwel is voor hem een gruwel omdat het gebaseerd is op het midden-Slowaakse dialect en dat is naar zijn mening een bastaardtaal van Servokroaten die pas later in de Middeleeuwen in die streken zijn terechtgekomen. Een merkwaardige theorie die enigszins tegen de opvattingen van de taalkundige Czambel aanleunt, maar wat doet het ertoe? De man gaat er geestdriftig mee voort, eist in de media en in het onderwijs recht voor zijn streektaal en wil zich als het even kan van de Slowaakse republiek afscheiden. De fragmentatie van Oost-Europa zet zich dus voort.

De jonge student die in Praag met schoenenpoetsen miljonair wilde worden, zit niet meer op zijn stekkie aan het lagere uiteinde van het St. Wenceslausplein. Dat hij bezig zou zijn inmiddels verdiend kapitaal ergens voordelig te beleggen, lijkt mij niet erg waarschijnlijk. Overigens wemelt het - vooral op de drukbezochte toeristische plaatsen, van allerlei aankomende ondernemers die op hun tafeltjes diverse zaken aan de voorbijgangers aanbieden - kunst en kitsjwerken veelal, veel glas en bijouterie, maar ook, kenmerkend voor de post-communistische contreien, heel wat boeken. Al hebben de uitgevers het verre van gemakkelijk, er wordt nog ontzettend veel gepubliceerd: ontspanningslectuur, werken die vroeger verboden waren, van Solzjenitsyns Goelag-archipel tot de memoires van de filmster Lida Baarova (vriendin van wijlen Joseph Goebbels). In de boekhandel waar ik een paar pasverschenen boeken kocht, werden ze verpakt in papier met een zeldzame leuze: elke donderdag een nieuw boek! De leeswoede van de Tsjechoslowaken blijft op peil.

De plechtigheden in het aloude Karolinum mogen er zijn. Vanochtend hadden we de feestelijke immatriculatie van de eerstejaars studenten en verder vijf magister-promoties. Het begon om 8.30 uur en bij het aankleden in mijn van huis meegebrachte ambtsgewaad had ik de gelegenheid om de Praagse vestiaire te bekijken. De rector en de prorectores dragen scharlakenrode toga's, de rector heeft zijn baret en toga rijkelijk voorzien van hermelijn (echt). De insignes, de universitaire en de faculteitsscepter en verscheidene zware kettingen zijn opgesloten in een rode koker die alleen door de ceremoniemeesteres ter plekke mag worden geopend. Het samenstellen van het cortège is een ingewikkelde handeling die minstens een kwartier in beslag neemt. Zelfs de afstanden tussen de onderdelen van de stoet zijn precies bepaald, namelijk zes meter. De belangrijkste figuren, de rector en de decaan komen het laatst binnen, onder de klanken van een welluidend orgel. Tijdens de zitting houdt men de baretten op. Na toespraken volgt het volkslied en wordt de plechtige belofte voorgelezen waarna de studenten één voor één naar de onderpedel gaan. Omdat het een theologische faculteit is, legt iedereen twee vingers op de bijbel en schudt vervolgens de decaan de hand. Dan is men echt cives academicus geworden.

Vergeleken met onze promoties zijn de Praagse eerder een plechtige diploma-uitreiking, met diverse toespraken, een lange latijnse eedformule, waarop de aankomende magister of dokter het met moeite aangeleerde "Spondeo ac policeor' moet antwoorden. Na nog een slottoespraak en gelukwensen werden alle vijf gezamenlijk binnen een half uur afgewerkt.

In de namiddag woonde ik een vergadering bij onder voorzitterschap van de rector. Zelf ben ik geen "vergadertijger', integendeel, maar ik wilde de Tsjechoslowaakse manier van vergaderen nader leren kennen. Er was iets verschrikkelijks geschied; de deelnemers werden pas op het allerlaatste moment en wel telefonisch, opgeroepen. Dit werd dan de hoofdschotel van het beraad, waar - horribile dictu - zonder schriftelijke agenda en notulen werd gewerkt. De rector Paldes hield een lange redevoering, weliswaar van een indrukwekkende filosofische diepgang doch weinig ter zake en eiste vervolgens het hoofd van de schuldige. Helemaal heb ik deze sessie niet uitgezeten omdat ik met een andere collega moest zorgen voor vader Andrej Joertsjenko, een vermaard Russisch theoloog en thans persoonlijke adviseur van B. Jeltsin, die voor korte tijd Praag aandeed.

President Havel kon het niet laten en tijdens zijn zomervakantie heeft hij een boekje geschreven dat in het Nederlands Zomermijmeringen (Letn Rozjmán) zou heten. Een fraai boekje van honderdtwintig bladzijden dat sinds gisteren te verkrijgen is. De inleiding ervan begint op een verdedigende toon. Havel legt nog eens uit hoe hij tegen zijn zin en op aandrang van anderen het presidentschap heeft aanvaard. Daarna bespreekt hij de doornige Tsjechisch-Slowaakse problematiek en houdt een vurig pleidooi voor een referendum. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hij in dezen in een democratisch wonder gelooft. In dit stadium van ontwikkeling zou een volksstemming slechts op een duurbetaald opinieonderzoek neerkomen en absoluut geen oplossing bieden. Alleen een stemming over een door de bevoegde instanties uitgewerkte en aangenomen grondwet zou zinvol kunnen zijn, al vrees ik dat het risico van afwijzing - om zeer uiteenlopende redenen - groot is. Beschouwingen over de grondwet(ten), politieke partijen, economische hervormingen, maatschappelijke problemen en vooral de buitenlandse politiek waarin Havel gaandeweg meer wegvlucht, zijn - hoe kan het anders - meesterlijk geschreven, vol goede gedachten en voornemens. Aan de andere kant kan ook Havel niet ontkennen dat het hier op realisatie aankomt en dat hij en de hem omringende intellectuelen hier lang niet altijd de nodige daadkracht aan de dag hebben gelegd.

Havel wil zijn geloof in een morele en moraliserende politiek niet laten varen en wijst nog eens diegenen af die van hem een doortastend en desnoods hard beleid vragen. Zal zijn in wezen zachte aanpak echter bestand zijn tegen de staatkundige crisis die zijn land, zij het nog niet in dramatische vorm, teistert? Kenmerkend eindigt hij zijn boek met de woorden die de rand van onze gulden sieren: God zij met ons.

Foto: Het Wenceslausplein in Praag