Hoorzittingen Senaat pure vorm van onrecht; Kan iemand niet een goed,eerlijk rechter zijn ook al is zijn seksleven wat onstuimig?; Het is verschrikkelijk deze moordaanslagen op personen en op het recht te hebben moeten meemaken

Wij kennen in ons recht een voorschrift voor rechters waar de deskundigen nogal meewarig over plegen te doen. Ik doel op de bepaling van artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering: Noch de voorzitter noch één der rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.

Al in 1925, één jaar voor de invoering van het Wetboek waarin de bepaling staat, hebben de auteurs van een bekend handboek het erover, dat de rechter zich toch moeilijk in een ijskoude onverschilligheid kan hullen, wanneer de verdachte “misschien reeds bij de aanvang van het onderzoek en in een heftige gemoedsbeweging een berouwvolle bekentenis heeft afgelegd”. Het artikel schiet, zo zeggen zij verder, zijn doel in ruime mate voorbij. Een hedendaags handboek noemt art. 302 “een goedbedoeld voorschrift, doch zonder enige sanctie; wat er in de praktijk van gemaakt wordt, hangt geheel af van de persoonlijke geaardheid van de voorzitter”. Hier zit weer het wijdverbreide misverstand achter dat een rechter zich van voorschriften die zich tot hem richten niets hoeft aan te trekken als op niet-naleving daarvan geen sanctie staat.

Ik denk dat artikel 302 één van de kernvoorschriften is in de (straf)rechtspraak. Het eist van de rechter dat hij, hoe volgepropt ook met gegevens, want hij heeft voor de zitting het dossier nauwkeurig gelezen, toch de zaak en de mens die er als verdachte bij betrokken is met een "open mind' tegemoet treedt. Nogal eens irriteert het rechters, die denken een mooi ronde zaak voor zich te hebben, als de verdachte ter zitting plotseling alles gaat ontkennen, waartoe hij dan bij voorkeur aanvoert, dat hij bij de politie onder druk is gezet, of dat hem beloofd is dat hij naar huis mocht, als hij zou bekennen. Dat is vaak niet waar, soms is het wel waar. Het is erg moeilijk dat onderscheid te achterhalen. Meestal worden verdachten aan hun eerdere bekentenis gehouden. Wat een rechter echter niet mag doen, is van zijn ontstemming of zelfs woede laten blijken wegens die ommekeer van de verdachte.

Waarin is daarom het grote belang van deze regel gelegen? In de daarin uitgedrukte eis dat de rechter de verdachte in zijn goede en zijn kwade kanten tot zijn recht moet laten komen, dat hij volstrekt onpartijdig moet zijn. Een officier van justitie behoeft niet onpartijdig te zijn al mag hij natuurlijk niet op onredelijke manier partij kiezen tegen de verdachte. Hij (vaak ook zij) moet, tenminste wel overtuigd zijn van de schuld van de verdachte, anders had hij hem niet mogen vervolgen en voor de rechter brengen. En tegenover de officier van justitie staat de raadsman, die vanzelfsprekend ook allerminst onpartijdig is en dat ook niet mag zijn, ook al mag hij niet op een onfatsoenlijke manier het belang van de verdachte dienen.

Heel deze toch wel stevige constructie gaat scheef hangen als één van de deelnemers aan het proces zijn rol uit het oog verliest. En dat geldt in de sterkste mate voor de rechter die de rol van aanklager gaat spelen. Maar ook voor de rechter, die er belang bij lijkt te hebben, dat de verdachte wordt veroordeeld of - veel minder vaak natuurlijk - dat hij vrijuit gaat. En de essentie van de regel van artikel 302 is dan ook dat in een goede rechtspraak de rechter zich volmaakt belangeloos moet opstellen. Zo zien wij in dictaturen en autoritair geregeerde landen steeds opnieuw, dat de rechters wezenlijk gecorrumpeerd, bedorven worden doordat de rechtspraak in dienst staat van een politiek stelsel of van een politiek persoon. Politieke processen kunnen dan al nooit meer het vertrouwen opwekken dat ze eerlijk zijn gevoerd.

In een redelijk functionerende democratie wordt het de rechter niet al te moeilijk gemaakt aan deze basis-eis van belangeloosheid te voldoen. Een held hoeft hij daarvoor gelukkig niet te zijn. Hij krijgt zijn salaris onafhankelijk van wat hij in zijn uitspraak zegt of doet, hij kan niet worden afgezet wegens onwelgevallige vonnissen en hij hoeft in ieder geval geen verantwoording af te leggen van zijn handelen als rechter aan de uitvoerende macht. De bedoeling is niet alleen dat het hem daardoor mogelijk wordt gemaakt een op het recht gebaseerd, zo redelijk mogelijk oordeel te vellen, maar ook dat hij daartoe zal kunnen komen uit de situatie van een deskundige, in de zaak hoogst geïnteresseerde persoon, die echter bij welke uitkomst dan ook, geen enkel belang heeft.

Die ideale situatie is onbereikbaar, omdat mensen nu eenmaal vooroordelen hebben en onlangs is uitgemaakt dat ook rechters mensen zijn. Het hebben van vooroordelen betekent dat men tegengestelde opvattingen maar kwalijk kan verdragen en daar dus niet geheel onbevangen tegenover staat. Maar het is al veel, dat het vooroordeel niet wordt getoond. Een rechter moet in dat opzicht, - ik ben bang dat dit verontwaardiging zal wekken - toneel kunnen spelen. Een goed toneelspeler behoeft zich niet te vereenzelvigen met de rol die hij speelt maar tijdens het spel (de zitting) is hij voor wie naar hem kijkt en luistert de persoon van zijn rol. Dat geeft maximale kansen aan een eerlijke berechting. En wie zijn rol lang en goed speelt, krijgt er iets of veel van mee.

Deze nogal lange inleiding dient om duidelijk te maken wat er in ieder geval mis is met het onderzoek naar de geschiktheid van de Amerikaanse rechter Clarence Thomas voor het ambt van lid van het Supreme Court van de Verenigde Staten, een rechterlijke instantie, die zich vooral bezig houdt met het toetsen van wetten aan de Grondwet, daaronder begrepen aan de grondrechten (amendments) die in de Grondwet verankerd liggen. Valt die toetsing negatief uit dan is de wet ongeldig. Dat houdt in dat het Supreme Court niet de wetten van het land toepast zoals gewone rechters dat doen, maar ze, als het nodig is, buiten werking stelt.

In zekere zin staat de rechterlijke macht in zo'n systeem boven de wetgevende macht. Een lid van het Supreme Court heeft, anders dan bijvoorbeeld een lid van de Hoge Raad in Nederland, echter heel veel met politiek te maken. Nu zijn er in de Verenigde Staten sinds jaar en dag twee opvattingen over die toetsing: zij moet terughoudend zijn, in welk geval de suprematie van de rechtspraak over de wetgeving grotendeels van theoretische betekenis is. Daar tegenover staat de activistische opvatting, die aan de rechters van het Supreme Court een echte toetsingsbevoegdheid toekent. Amerika is jarenlang in beroering geweest over het activisme van het Warren Court zo genoemd naar zijn voorzitter. Activisme heeft echter niets te maken met de richting waarin de toetsing zich begeeft.

Wanneer er, zoals onder F.D. Roosevelt met zijn New Deal "progressieve' wetgeving moet worden getoetst, zal activisme een reactionair effect hebben, blijft de wetgeving achter bij nieuwere opvattingen, zoals tijdens het Warren Court, dan zal activisme ertoe leiden, dat door actieve rechtspraak vooruitstrevende ideeën veld winnen. Er is, sinds Nixon, Reagan en Bush (de tussenligger Carter heeft daar weinig aan kunnen veranderen) steeds gewerkt aan het minder "liberaal' maken van het Supreme Court. De presidenten droegen conservatieve kandidaten voor en de Senaat, meestal met een democratische meerderheid, moest daar zijn goedkeuring aan hechten. Nu is het denk ik duidelijk dat een uitnemende rechter moeilijk kan worden geweigerd, omdat hij er conservatieve of progressieve ideeën op nahoudt. Bovendien is er iets geks aan de hand met de rechtspraak: zij ontpolitiseert tot op zekere hoogte.

Zo waren er voor presidenten van de Verenigde Staten altijd vreemde verrassingen: de persoon die zij hadden voorgedragen omdat hij zo progressief-conservatief was, ontwikkelde zich na zijn benoeming in tegenovergestelde zin, althans van die vroegere politieke voorkeur bleek weinig meer te merken als hij aan het werk was. Maar toch... En zo is het, naar ik denk, gekomen dat voorgestelde rechters voor het Supreme Court aan een onderzoek worden onderworpen, dat eigenlijk helemaal niet of maar terloops hun vaardigheid en bekwaamheid als rechter betreft, maar volop hun persoon, hun karakter, hun doen, laten en spreken vanaf, mag je wel zeggen, hun vroegste jeugd. Nu is het mijn vaste overtuiging dat er niemand in deze wereld is op wie niet iets aan te merken valt wat zijn persoon of karakter betreft. Zelfs de heilige zal voor de goddeloze een grandioze ergernis kunnen zijn en als die laatste tot de meerderheid behoort, deugt de heilige niet, zo vaak de meerderheid beslist.

Van het begin af aan werd gezegd dat Clarence Thomas nooit door de president van de Verenigde Staten als rechter van het Supreme Court zou zijn voorgedragen als hij niet de waarschijnlijk toch nogal zeldzame combinatie had vertoond van "conservatief' en "zwart'. Want hij zou geen bijzonder knap rechter zijn. Ik kan daar natuurlijk niet over oordelen, maar zou toch nog wel willen zeggen, dat je voor het rechterschap niet zo verschrikkelijk knap hoeft te zijn, ook niet voor dat van een Supreme Court. De beslissing of doodstraf grondwettelijk verboden is, of abortus mag worden toegestaan, wanneer euthanasie tot het recht van zelfontplooiing van de mens behoort, is wel heel belangrijk en in zoverre moeilijk, maar juridisch is het een vraag die wordt bepaald door onze levensbeschouwelijke keuze. De tegenstander die een goed jurist is zal even sterk het juridisch standpunt van de tegenstander onder woorden kunnen brengen als de voorstander, die een even goed jurist is, het zijne.

Staat eenmaal vast dat de kandidaat aan basis-eisen van juridische geschiktheid voldoet, dan komt natuurlijk het politieke element in volle glorie opzetten. En dan krijgen we de hoorzittingen waarop van de kandidaat hart en nieren moeten worden doorgrond. In de Verenigde Staten speelt daarbij kennelijk de zedelijkheid de grootste rol. Het lijkt alsof het gaat over een feministisch thema, maar ik vraag me af of de zaak anders had gelegen liggen als de aantijgingen van de vrouwelijke professor aan het adres van Thomas, afkomstig waren geweest van een jonge, mannelijke assistent. Is het toch niet het puriteinse zedelijkheidselement dat hier hoogtij viert? Kan iemand niet een goed, eerlijk rechter zijn, ook al is zijn seksleven wat onstuimig? Ik ga er niet op door en verklaar mij in dit opzicht onbevoegd maar kom nu aan één van mijn twee hoofdpunten.

Het is volstrekt onaanvaardbaar dat iemand ter beantwoording van de vraag of hij als aanstaande rechter een onberispelijke levensloop achter zich heeft (aan welke eisen hij daarvoor dan ook moet voldoen) als pseudo-rechters tegenover zich ziet gesteld een aantal mensen van wie, zoals hij weet, sommigen erop uit zijn (en dat uit de vragen die zij stellen laten merken) hem aan de wereld voor te stellen als een losbol en pornograaf terwijl anderen slechts de bedoeling hebben zijn aanklaagster zwart te maken om hem te redden. Dat soort belangen mogen bij het beoordelen van een mens, als aan dat oordeel zulke gevolgen zijn verbonden, doodgewoon niet meespelen. En dat dit wel is gebeurd, geeft de smaak van walging in de mond, die we allemaal hebben geproefd bij deze slechte voorstelling. Iets daarvan, zij het op Nederlandse schaal, kan men gewaarworden bij parlementaire enquêtes, waar toch ook duidelijk wordt dat de eigen minister, althans die van de coalitie, zoveel mogelijk moet worden gespaard en omgekeerd.

Mijn slotsom op dit punt is, dat als zo'n onderzoek nodig zou zijn (en enig onderzoek is er bij het aantrekken van iemand voor zo'n baan altijd en overal) dan mag dat niet worden uitgevoerd door een actief politieke instantie. Want dan wordt het onvervreemdbaar recht van iedereen op een onpartijdig, eerlijk proces, zeker als het over de waarde en de waardigheid van zijn persoon gaat, op onherstelbare wijze geschonden.

Thomas is met vier stemmen meerderheid gekozen. Hij zal nooit meer zichzelf kunnen zijn. In ieder geval is er dus een ander gekozen dan de persoon die president Bush heeft voorgedragen.

Een tweede en laatste punt in deze zaak waarin, over de hele wereld, al zoveel is gezegd door zovelen, zou ik toch nog kort willen aansnijden. Het betreft de botsing tussen privacy en openbaarheid. Het zijn allebei fundamentele rechten maar ze verdragen elkaar bijzonder slecht. Direct na de Tweede Wereldoorlog en in de jaren vijftig werden alle rechtszalen gesloten als in een stuk uit het procesdossier het woord bloot zelfs maar voorkwam. Al sinds zo'n jaar of tien wordt bijna elk verzoek tot sluiting van de deuren van de rechtszaal afgewezen ook in zaken waar openbaarheid de reputatie van de verdachte (die nog kan worden vrijgesproken) maar ook van het slachtoffer en van de getuigen blijvend kan aantasten. Overigens lag aan het vroegere standpunt niet het belang van de verdachte en van de anderen bij de zaak betrokkenen ten grondslag, maar was het bijna steeds collectieve preutsheid, die tot de beslissing leidde.

Wat bij de hoorzittingen van rechter Clarence is gebeurd, kan moeilijk anders worden omschreven dan als een volksvermaak, alleen te vergelijken met de openbare executie van terdoodveroordeelden op het marktplein. Het verschil ligt natuurlijk in de duur van het vermaak (dagen lang) en de hoeveelheid toeschouwers. Via de televisie waren dat er honderden miljoenen. En dat gebeurde bij een "rechtzitting' die op zichzelf al fundamenteel onjuist was ingericht: sommige rechters wilden van het begin af de veroordeling, anderen de vrijspraak van de "verdachte'.

De uitslag, inhoudende dat 48 "rechters' oordeelden dat Thomas schuldig was en 52 dat hij onschuldig was, leidde overeenkomstig de macht van het getal natuurlijk tot "vrijspraak', maar ook tot onherroepelijke reputatie-schennis van de "aangeklaagde' en waarschijnlijk ook van de aanklaagster. Als 48 van de honderd mensen oordelen dat jij, aanstaande rechter van het Hoogste Gerechtshof tegenover een jonge, vrouwelijke medewerkster aan de universiteit almaar hebt gesnoefd over de lengte van je penis, zul je nooit meer van het stigma afkomen een ordinaire viezerik te zijn, hoe goed je "opinions' voor het Supreme Court ook zijn. Als 52 van de honderd mensen oordelen dat jij als jonge vrouw zulke praatjes hebt verzonnen om een man, die tot een hoge positie wordt geroepen, in een kwaad daglicht te stellen, zul je nooit meer rustig slapen, al zijn je colleges nog zo schitterend. Je bent beiden kapot gemaakt. Door die oordelen? Ten dele. Maar voor het overige, grotere part, door de openbaarheid van beraadslaging en oordeel.

Ik trek een vergelijking. Iemand doet in Nederland aangifte van een ernstig strafbaar feit, jegens hem of haar gepleegd. De aangeklaagde wordt gehoord en ontkent volledig. Als er nu geen enkele andere aanwijzing meer binnenkomt, die bevestiging inhoudt van de aangifte, zal een goede officier van justitie meestal de zaak seponeren (laten rusten, niet vervolgen) bij gebrek aan voldoende bewijs. Er komt dan niets in de openbaarheid. Maar laten wij nu aannemen dat hij, om een goede reden, toch tot vervolging overgaat. Er wordt een dagvaarding uitgebracht met de zware beschuldiging. De verdachte heeft dan in ons recht de bevoegdheid om een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in te dienen en dat recht heeft hij omdat hij zich op die manier, als duidelijk blijkt dat vrijspraak moet volgen, de schande en het reputatie-verlies, die gevolg zijn van een openbare behandeling, kan besparen. En als vaststaat dat er maar één belastende getuige is, en er ook niet meer zullen komen, terwijl de aangeklaagde ontkent, dan moet de rechter beslissen dat er geen openbare vervolging komt omdat de verdachte daar toch moet worden vrijgesproken. En dat doet hij in een zitting die, zonder enige uitzondering, met gesloten deuren plaatsheeft.

Ik zou willen verdedigen dat de openbaarheid van de hoorzittingen van de Senaatscommissie in de zaak van Clarence Thomas een pure vorm van onrecht was. Want daarvan kon, gelet op de politieke samenstelling van de Commissie, alleen maar het gevolg zijn, dat zelfs bij "vrijspraak' verdenking zou blijven bestaan, niet bij een deel van de "rechters' maar bij een (groot) deel van de bevolking, en ook de aanklaagster had er recht op dat met haar belangen van waardigheid en fatsoen voorzichtig werd omgegaan. Hoe zwaar haar beschuldigingen ook waren. Ja zelfs juist omdàt die beschuldigingen zo zwaar waren (althans in het puriteinse Amerika) zal het niet aanvaarden daarvan een publieke smet op haar werpen.

Het is verschrikkelijk deze moordaanslagen op personen en op het recht van dichtbij te hebben moeten meemaken.

Foto: Clarence Thomas tijdens de hoorzitting in de Amerikaanse Senaat (Foto EPA)

    • J. Leijten