"Het is niet lang genoeg droog geweest voor een echt grote brand'; Regen dooft het vuur in brandend oerwoud; Grote brand op Kalimantan is letterlijk en figuurlijk in rookgordijn gehuld

BALIKPAPAN (Kalimantan), 21 OKT. Als het vliegtuig landt op de luchthaven van Balikpapan, een uit de grond gestampt oliestadje aan de oostkust van Kalimantan (Indonesisch Borneo), slaan er regendruppels tegen de raampjes en spat het water onder het landingsgestel hoog op. Vorige week nog waren de vliegvelden aan de zuid- en westkust van Kalimantan gesloten als gevolg van dikke rookwolken die tot in Maleisië en Singapore een dichte mist veroorzaakten. Het tropische bos in West- en Oost-Kalimantan staat in brand, concludeerde men in de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur. Jakarta bevestigde dat er een probleem was. Vorige week bood een aantal Westerse ambassades in Jakarta hulp aan bij de bestrijding van de bosbranden. Nu overal ter wereld alarm wordt geslagen, valt er in Kalimantan regen, verdwijnt de rook en doven de vuren.

De "bosbrand' van 1991 is zowel letterlijk als figuurlijk gehuld in een rookgordijn. Sinds begin augustus hing er een dichte rooksluier boven grote delen van Kalimantan en het zuiden van Sumatra. Toch was dat voor niemand aanleiding om alarm te slaan. Pas toen er overlast ontstond in de buurlanden en het vlieg- en scheepvaartverkeer in Singapore en Maleisië hinder ondervond van het slechte zicht, werd er gerept van zorgelijke bosbranden in Indonesië.

Waar rook is, is vuur, moet premier Mahathir van Maleisië gedacht hebben toen hij bijna twee weken geleden de internationale aandacht vestigde op het probleem. Net als Indonesië is Maleisië al jaren het mikpunt van internationale kritiek op de gehanteerde houtkap-praktijken. Mahathir beschuldigde het Westen van dubbelhartigheid: niets dan grote woorden over het bedreigde tropische bos, maar “als het op één na grootste regenwoud ter wereld in brand staat, verroert men geen vin”. Daarmee sloeg hij twee vliegen in één klap: hij trof zijn Westerse kritici op een gevoelige plek en maakte Jakarta duidelijk dat het iets moest doen aan de rook.

Hij maakte het een en ander los. Jakarta herhaalde de verwijten van Mahathir aan Westers adres, de Britse, Australische en Canadese ambassades in Jakarta boden experts en uitrusting aan en zowel Indonesische als internationale milieu-organisaties grepen het rookalarm aan om Jakarta onverantwoord bosbeheer te verwijten. Wat was er nu werkelijk aan de hand?

Willie Smits, een bosbouwingenieur uit Nederland en leider van een gezamenlijk onderzoeksproject van de Stichting Tropenbos en het Indonesische ministerie van bosbouw in Oost-Kalimantan, was vorige week in Jakarta voor besprekingen. Smits: “Ik heb gerapporteerd dat op dat moment niet met zekerheid te zeggen viel hoe uitgebreid de branden waren omdat heel Kalimantan onder een rooksluier lag. Vanuit vliegtuigen was het absoluut niet vast te stellen en het is erg moeilijk om aan satellietfoto's te komen.”

Vorige week hield Smits nog rekening met een herhaling van de grote brand van 1982-'83, toen in Oost-Kalimantan zo'n drie miljoen hectare bos in vlammen opging. Hij heeft die zorg ook uitgesproken in Jakarta. Donderdag was hij terug op Kalimantan, in zijn onderzoeksstation, 38 kilometer ten noorden van Balikpapan. De regen blijkt ook hem verrast te hebben: “Op grond van rapporten over de verstoorde vogelmigratie vanuit Zuid-Amerika en gezien de recente vulkaanuitbarsting op de Filippijnen had ik een langere periode van droogte verwacht.”

De rit van Balikpapan naar het noorden voert door een gebied dat tien jaar geleden nog produktiebos was en dat tijdens de grote brand van acht jaar geleden geheel in vlammen opging. Langs de weg zijn de sporen van die ramp nog zichtbaar. Tussen de Alang-Alang (tropisch gras) en het struikgewas dat sindsdien is opgeschoten staan nog de verkoolde stronken van wat eens woudreuzen waren. Het hoge bos is tot aan de kust, een afstand van ongeveer acht kilometer, en zo'n twee kilometer landinwaarts van de weg, verdwenen. In deze secundaire, pas de laatste jaren opgeschoten vegetatie zijn de zwarte brandplekken zichtbaar van de jongste branden. Het struikgewas en de Alang-Alang zijn met drie tot tien hectare tegelijk in brand gestoken door zogenaamde Ladang-bouwers. Dat zijn migranten, meest Buginezen uit Zuid-Sulawesi, die met duizenden naar Oost-Kalimantan zijn getrokken op zoek naar landbouwgrond.

Zij strijken neer in de brandzone van 1982-'83 en trekken zelfs nog verder, het door concessiehouders uitgekapte hoge bos in. Elk jaar kappen zij de resterende bomen en verbranden die om rijst en peperboompjes te planten. De rijst dient voor hun levensonderhoud en met de peper verdienden ze tot voor kort, toen één kilo peperkorrels nog tien gulden opbracht, goed geld. Nu de prijs is gezakt tot ƒ 1,50 per kilo halen zij nog een maandelijkse opbrengst van 180 gulden per hectare. Zij hebben geen rechten op de grond en springen er dan ook hardhandig mee om. Welingelichte kringen in Balikpapan weten te vertellen dat er ook grondspeculatie in het spel is. Er bestaan plannen om dit gebied te rehabiliteren en er zijn heel wat mensen die niet alleen begroeiing afbranden voor landbouwdoeleinden, maar om te zijner tijd grond te kunnen claimen. Sommige Ladang-bouwers bezetten gebied door wat bananenboompjes te planten en fungeren als stromannen voor Chinese speculanten in de stad.

Tijdens een aantal rondritten en boswandelingen legt bosbouwdeskundige Willie Smits uit wat er de afgelopen maanden in Oost-Kalimantan is gebeurd. Smits: “Door die dikke rook is de indruk ontstaan dat er zich hier een ramp heeft voltrokken vergelijkbaar met de grote brand van 1982-'83. In feite ging het om een groot aantal kleine brandjes. Als de windsnelheid laag is, blijft de rook hangen of trekt heel langzaam verder. Als er geen regen valt die de lucht schoonmaakt, ontstaat de indruk van een enorme bosbrand. Overal waar Ladang-bouwers actief zijn, ontstonden kleine brandjes die als gevolg van drie maanden droogte oversloegen naar de omgeving. De meeste rookontwikkeling is het gevolg van brand in net gekapt jong groen, dat in brand wordt gestoken. Maar het echte hoge bos heb ik dit jaar nog niet zien branden in Oost-Kalimantan, ook niet in concessiegebieden.”

Smits vestigt de aandacht op een andere oorzaak van de enorme rookontwikkeling tijdens dit droge seizoen: “Dit jaar hebben staatsbedrijven in opdracht van het ministerie van bosbouw op heel Kalimantan zo'n 50.000 hectare uitgekapt of door brand aangetast bos omgezet in boomplantages, onder meer voor rubber. Zij hanteren een weliswaar efficiënte, maar nogal botte methode: bloksgewijs worden alle resterende bomen omgelegd en in brand gestoken, waarna meteen jonge boompjes worden geplant. Dat gaat met tien tot twintig hectare tegelijk en per blok moeten steeds 35 man toezicht houden. Er is dus weinig gevaar voor uitslaande brand, maar dit programma heeft alles bij elkaar dit seizoen heel wat rook opgeleverd.”

Vorige week gaf de milieubeweging SKEPHI in Jakarta een persconferentie waar deze Indonesische Groenen hun theorie over de jongste bosbranden ontvouwden. Volgens hen zijn de concessiehouders de ware schuldigen. Zij laten in hun kapblokken veel dood hout op de bosbodem achter dat bij langdurige droogte fungeert als "aanmaakhout' en het uitgekapte bos kwetsbaar maakt voor branden. Formeel moeten zij optreden als goede rentmeester van hun concessie en Ladang-bouwers weren, maar dat zou maar zelden gebeuren. Smits: “Op die manier is in 1982-'83 inderdaad een groot areaal aan uitgekapt bos verloren gegaan, maar dit jaar is dat in Oost-Kalimantan niet gebeurd. Er zijn hier in de buurt grote stukken concessiebos met Ladang-branden pal ernaast, maar die laatste zijn niet overgeslagen naar het uitgekapte bos. Het dode hout was nog steeds te nat om te branden. Het is eenvoudigweg niet lang genoeg droog geweest voor een dergelijk scenario.”