De WAO: wie moet het gelag betalen?

De vasthoudendheid en moed van Wim Kok hebben op het PvdA-congres gezegevierd. Zonder een spoor van triomfalisme, ja, met veel gevoel voor de pijn van velen, reageerde hij op de uitslag van de beslissende stemming. Vooral het meevoelen met de pijn van zijn tegenstanders in en buiten de congreszaal was belangrijk.

Uit menselijk oogpunt, maar vooral ook met het oog op het nemen van definitieve beslissingen. Want het lijkt haast ondenkbaar dat het vraagstuk van de excessieve groei van het WAO- en Ziektewetbestand met de uitslag van de stemming opgelost is, laat staan dat de regeringsvoorstellen het begin van de sociale vernieuwing van onze samenleving zouden inluiden, zoals wel beweerd is. Die voorstellen zijn in wezen niet meer dan een dam om het vervaarlijk wassende water van de uitkeringen zoveel mogelijk tegen te houden. In de hoop dat straks een passende filosofie wordt gevonden om de genomen maatregelen ook uit sociale-verzekeringsoogpunt te rechtvaardigen. Zal dat lukken? Ik heb daar mijn twijfels over en noem daarom enige overwegingen waardoor die gevoed worden. Het beginsel dat de uitkering "adequaat' moet zijn wordt - althans gedeeltelijk - losgelaten. Ik bedoel daarmee het volgende. Bij de snelle expansie van de sociale verzekering na de Tweede Wereldoorlog was een van de sterke drijfveren dat de uitkeringen voldoende moeten zijn voor een redelijk bestaan èn moeten worden verstrekt zolang de verzekerde calamiteit duurt. Oud-minister Veldkamp, de schepper van de WAO, scherpt dit postulaat nog aan met de uitspraak, “dat de sociale arbeidsverzekering tot doelwit heeft, de arbeidende mens (ingeval van een calamiteit waardoor hij loon derft) een inkomen te verschaffen dat hetwelk hem in staat stelt naar stand te leven.” Anders gezegd: de uitkering moet een zekere evenredigheid vertonen met het tevoren verdiende loon. Waarom? Omdat bij een stelsel van uniforme uitkeringen de pijn van het loonverlies voor mensen met een hoger loon veel groter zou zijn dan voor hen die een lager loon hebben genoten. Het kabinetsplan voor de WAO houdt nu in, dat onder meer de leeftijd van de verzekerde en het aantal van zijn gewerkte jaren ten gevolge kunnen hebben, dat de uitkeringshoogte aanmerkelijk lager ligt dan volgens het thans geldende stelsel en zelfs de neiging heeft om op de duur tot een vast minimum te zakken. Het beginsel van "adequaatheid' wordt daarmee feitelijk doorbroken. De mede in de WAO beoogde doelstelling, dat geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikte personen zoveel mogelijk hun arbeidsgeschiktheid moeten herwinnen en in het arbeidsproces moeten worden teruggeplaatst of gehandhaafd, is tot dusver nog steeds in een begin van verwezenlijking blijven steken. Reeds geruime tijd vóór de inwerkingtreding van de WAO beseften velen in ons land dat de hoognodig geachte verbetering van de uitkering tot voorwaarde zou hebben dat al het mogelijke diende te worden gedaan om door herstel van de arbeidsfunctie de uitkering overbodig te maken. In mijn proefschrift ("Eenheid en verscheidenheid der sociale uitkeringsregelingen', Arnhem 1957) noemde ik in dit verband als noodzakelijke maatregelen: het aan de verzekerde opleggen van de verplichting om aan zijn wederopneming in de arbeid mee te werken; het beschikbaar stellen van voorzieningen tot herstel van het arbeidsvermogen ("medische revalidatie'); het bieden van gelegenheid tot arbeidsoefening, scholing, beroepskeuzevoorlichting en arbeidsbemiddeling ("beroepsrevalidatie') en tenslotte het zorg dragen dat het weer aan het werk gaan, al is het slechts met een beperkte arbeidstijd, voor de betrokkene financieel aantrekkelijk is. Deze voorwaarden hebben nog niets van hun geldigheid verloren. Het ontbreken of althans gebrekkig functioneren van daartoe strekkende maatregelen vormt volgens mij de voornaamste oorzaak van de huidige "explosie' van het aantal uitkeringen. Duidelijk blijkt dit uit de talrijke voorstellen, suggesties en klachten die in dit verband de laatste tijd uit diverse hoeken van de samenleving naar voren komen. De resultaten van pogingen tot verbetering van de situatie zijn vooralsnog bescheiden van omvang en worden veelal teniet gedaan door tendensen in de richting van verdere groei van het "volume'. Vele jaren van discussie over de gebreken van de WAO en van sleutelen in de marge hebben de onmacht van de verantwoordelijke instanties aangetoond om die gebreken op te heffen, evenals tot voor kort hun blindheid voor de daaruit voortspruitende gevaren. Ook andere factoren zijn debet aan de onrustbarende stijging van het aantal WAO-trekkers. Werkgevers zowel als vakbonden geven toe, dat de WAO door hen misbruikt is bij reorganisaties, bedrijfssluitingen, fusies en dergelijke (of zomaar) werknemers die voor het productieproces problemen opleverden, op een voor het bedrijf goedkope manier naar huis te sturen. Veel wordt ook geklaagd over het feit dat een arbeidsongeschikt-verklaring te gauw als definitief wordt beschouwd en er dus geen of te weinig herkeuringen plaatsvinden. De toename van ziektebevorderende omstandigheden in het werk en de werkomgeving, zoals lawaai, schadelijke gassen en dampen, zware lichamelijke werkzaamheden, grote werkspanning met daaruit voortkomende stress, doen op een pijnlijke wijze voelen, dat de Arbeidsomstandighedenwet nog lang niet voldoende preventief werkt. En tenslotte zitten wij met het probleem van de fraudeurs, die zich met hulp van zwart werk een dubbel inkomen toeëigenen.

Concluderend moeten wij vaststellen, dat de WAO-crisis is ontstaan door oorzaken, waarvoor de bonafide genieter van een uitkering geen enkele verantwoordelijkheid in de schoenen kan worden geschoven. Moeten wij juist hem het gelag laten betalen door een zware ingreep in zijn uitkeringsrechten? Moeten wij daarvoor ook het prijsgeven over hebben van het beginsel dat de uitkering "adequaat' behoort te zijn. Niet alleen de vakbeweging ervaart dit als een groot onrecht, óók al diegenen voor wie de beginselen, die aan de sociale verzekering ten grondslag liggen, nog steeds een hoge waarde vertegenwoordigen, alle gepraat over het verdwijnen van de verzorgingsstaat ten spijt.

    • A.H. Heering