Alleen Nelson Mandela kan zo'n hachelijke uitspraak doen

Met de behoedzaamheid van iemand die op eieren loopt, bracht Nelson Mandela onlangs naar voren dat het African National Congress (ANC) rekening zou moeten houden met etnische afkomst, zowel bij het formuleren van zijn politieke beleid als in zijn eigen organisatiestructuur. Voor het ANC neigt dit naar afvalligheid en Mandela moest zijn woorden voorzichtig kiezen om de indruk te vermijden dat hij het meest gekoesterde ideaal van de organisatie verried: een multi-raciale samenleving.

Sinds de oprichting van het ANC negenenzeventig jaar geleden was dit de duidelijkst omlijnde ideologie. Aan de andere kant was etniciteit een vies woord geworden. Wie erover spreekt, gebruikt de taal van de apartheid en riskeert te worden uitgemaakt voor collaborateur van de regering. En toch, op het moment dat Mandela zijn woorden woog, hadden recente gebeurtenissen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie aangetoond dat etniciteit een onderdeel van de politiek is dat niet kan worden genegeerd. “Wij hebben ons belangrijke principe van een non-raciale samenleving en dat moeten we in ere houden”, zei hij, “maar we moeten ook erkennen dat onze verschillende gemeenschappen in Zuid-Afrika hun eigen culturele en historische achtergronden hebben. Ik weet dat onze omstandigheden hier verschillen, maar in de Sovjet-Unie probeerden ze al sinds 1917 de etnische verschillen opzij te schuiven en te verkondigen dat mensen individuen zijn, maar nu na al die tijd steekt het gemeenschappelijke gevoel de kop weer op. We moeten eerlijk zijn tegen onszelf en rekening houden met deze werkelijkheid.”

Voor Europeanen mag dit vanzelfsprekend lijken, maar het onderwerp ligt voor de zwarte gemeenschap in Zuid-Afrika zo gevoelig dat alleen Mandela met zijn onbetwiste reputatie een dergelijke uitspraak kan doen. De multi-raciale ideologie heeft diepe wortels. Het begon met de eerste missionarissen, die de eerste scholen stichtten, de eerste zwarte intellectuele elite afleverden en die gelijkheid van de mens predikten en onderwezen aan een onderdrukte gemeenschap die wanhopig behoefte had aan een dergelijke psychologische geruststelling. De nieuwe intellectuelen zogen de ideeën op en introduceerden die in hun eerste politieke organisatie. Vervolgens werd die weer gestimuleerd door de filosofie van Mahatma Gandhi, die zijn beginjaren in Zuid-Afrika doorbracht en sterke invloed had op de oprichters van het ANC.

In de jaren twintig kwamen zij in contact met blanke communisten - de eerste blanken die zich identificeerden met de zaak van de zwarte Zuidafrikanen - die hen ervan overtuigden dat zij een klassenstrijd voerden en geen rassenstrijd en dat die strijd alle internationale en "huidskleur'-grenzen overschrijdt. Maar vooral apartheid heeft de idee van etniciteit in discrediet gebracht. Eeuwenlang kon wit Zuid-Afrika de zwarte meerderheid overheersen met de oude verdeel-en-heerstechniek door van stammentwisten gebruik te maken om de zwarten te verdelen. Het zwarte antwoord daarop was het eenheidsideaal. Bij de oprichting van het ANC in 1912, in antwoord op de "Land Act' van de blanke regering, die zwarten grondbezit verbood buiten de kleine stammennederzettingen, sommeerde grondlegger Pixley Seme de leiders van iedere stam gezamenlijk een eigen "nationale eenheid' te vormen ter verdediging van de rechten van de zwarten. “Wij vormen één volk”, stelde Seme tijdens de oprichtingdbijeenkomst. “Deze verdeeldheid en jaloezie zijn de oorzaak van al onze ellende en van onze achtergebleven ontwikkeling en naïveteit.”

Dit legde de basis voor een pan-tribale optie die zich verbreedde tot een multi-cultureel streven. Veel later, toen de Afrikaanse Nationale Partij in 1948 aan de macht kwam met haar veel extremere programma van apartheid, werd etnische afkomst gebruikt om de wetten van verdeling en onderdrukking die daarop volgden te rechtvaardigen. De grondgedachte was dat Zuid-Afrika een "wit' land was en dat de zwarte bevolking eigenlijk bestond uit tien afzonderlijke stammenvolken die ieder hun eigen "thuisland' zouden krijgen. Iedere zwarte werd wettelijk verplicht zich te laten registreren, niet alleen als zwarte, maar ook volgens zijn of haar etnische groep. Dat werd vervolgens zijn "staatsburgerschap' en dat bepaalde waar hij zou moeten leven en begrensde zijn rechten. Alles was gebaseerd op etniciteit, een begrip dat de taal van de politiek, de wet en ieders bestaan ging beheersen. Die werd het instrument van onderdrukking, wat het onherstelbaar stigmatiseerde in de ogen van de zwarte bevolking. Het woord zelf werd een naamkaartje van apartheid.

We hebben dus te maken met het uitzonderlijke verschijnsel dat het belangrijkste zwarte antwoord op apartheid niet bestond uit een toevlucht tot een "tegenracisme' en mobilisering van de zwarten op basis van anti-blanke gevoelens, zoals te verwachten was, maar om racisme als geheel af te wijzen en een "kleurenblind' non-racisme als ideaal uit te roepen. Dit maakte het ANC uniek in Afrika. Terwijl de meeste Afrikaanse politieke partijen gebaseerd waren op stammen, is het ANC een verzameling van stammen en rassen - een omstandigheid die in een Zuid-Afrika van post-apartheid het gevaar reduceert van een politiek beleid dat ontaardt in een soort stammentwist die zovele andere Afrikaanse landen heeft verscheurd. En terwijl andere Afrikaanse partijen hun onafhankelijkheidsstrijd voerden met slogans als Africa for the Africans en White man go home begint de belangrijkste geloofsbelijdenis van het ANC, het "Freedom Charter',opgesteld in 1955, met de woorden: “Zuid-Afrika behoort aan zijn inwoners, zwart en wit...”.

De filosofie is niet zonder tegenspraak verdwenen. Er is sprake geweest van een tijdelijke opleving van het zuiver Afrikaanse nationalistische idee binnen de zwarte gemeenschap, dat het "Africa for the Africans' verkondigde. De belangrijkste opleving had plaats binnen het ANC na de onafhankelijkheid van Ghana in 1957, geïnspireerd door Kwame Nkrumah en zijn pan-Afrikaanse denkbeelden. Maar de moleculaire aantrekkingskracht van de kern van het ideaal van een multi-raciale samenleving was zo sterk dat het ANC eerder scheurde dan toe te geven aan de Afrikaanse druk - hetgeen leidde tot de vorming van het Pan-Afrikaanse Congres. En daar is dan Nelson Mandela, die ondanks een dergelijk verleden en overtuiging, opstaat om het ANC te vertellen etniciteit serieuzer te nemen. De directe aanleiding was dat het ANC er tegen zijn verwachting in, niet in is geslaagd veel steun te winnen in de gemengde "gekleurde' gemeenschap, en de wens van Mandela om beter gebruik te maken van dr. Allan Boesak, lid van van die gemeenschap, om dit te corrigeren.

Hoe kan dit worden bewerkstelligd zonder een in het oog lopende etnische afspraak te maken. Mandela's oplossing is geweest op één lijn te komen met de politieke realiteit en - zonder verwerping van het multi-raciale ideaal - te erkennen dat minderheidsgroepen specifieke belangen en angsten hebben die een vorm van bevestiging behoeven om hen ervan te overtuigen dat zij niet alleen vertegenwoordigd zijn maar dat dat ook duidelijk zichtbaar is.

Het markeert een essentieel keerpunt in de overgang van de organisatie van filosofisch idealisme naar realpolitik, van protestbeweging naar een politieke partij die zich voorbereidt op verkiezingen, en - uiteindelijk - regeringsverantwoordelijkheid.

    • Allister Sparks