Schönberg-ensemble kan Mahler ook niet zonder strijkers spelen

Concert door Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Anne Gjevang (alt) en Louis Gentile (tenor). Werken van Schnebel, Rihm en Mahler. Gehoord: 19-10 Concertgebouw, Amsterdam. Uitzending: 21-10 Radio 4, Vara, 20.02 u.

Honderdzeventien concerten met honderdvierenvijftig hedendaagse werken: dat was de oogst van de concerten georganiseerd door de Wiener Verein für Musikalische Privataufführungen in de periode 1918-1921, in Praag nog voortgezet in de jaren 1922-1924. Wie meent dat hierin de organisatoren, Schönberg en zijn leerlingen, het meest werden gespeeld, vergist zich: Reger en Debussy stonden bovenaan. Het ging dan ook om "Mahler bis jetzt', aldus Berg op 1 juli 1918. Als hoogtepunt golden de bewerkingen voor piano vierhandig van Mahlers symfonieën 6 (door Alexander von Zemlinsky) en 7 (door Alfredo Casella), terwijl Erwin Stein zich waagde aan Mahlers Vierde in een bewerking voor kamerensemble met onder meer een vedel tussen strijkkwartet en contrabas.

Schönberg begon aan Mahlers Das Lied von der Erde, maar waarom hij de bewerking voor blaas- en strijkkwintet, piano, harmonium en slagwerk onvoltooid liet, blijft gissen. Reinbert de Leeuw voltooide het arrangement en presenteerde het in de Vara-matinee. Dat leverde gemengde gevoelens op. Want hoe smetteloos puur de blazers hun soli bliezen (de symfonie leek soms meer op en hoboconcert) en hoeveel ruimte de vocalisten ditmaal kregen, het is anders altijd meer vechten dan zingen, de zoetste kussen van vrouwe Musica konden niet maskeren dat hier sprake was van een zwaktebod, Mahler kan eenvoudigweg niet zonder het strijkorkest.

Dieter Schnebel's Wagner Idyll (1980) was weer een ander verhaal: minder een arrangement uit een fragment uit de Parsifal dan meer een algemeen Wagner-beeld. De vele veranderingen en toevoegingen moesten de essentie verder uitdiepen om de oorspronkelijke kracht van de muziek weer op te roepen. Want volgens Schnebel worden in onze nivellerende concertpraktijk de werken van Bach, Beethoven, Schubert en Wagner te veel als een vanzelfsprekendheid geaccepteerd. Het gevaar is dat zo'n werkwijze een karikatuur oplevert, maar Schnebel's herfstige Wagner Idyll (en dat bij het door Wagner in de Karfreitagszauber-scène beoogde voorjaarskarakter!) zet je zeker aan het denken.

Ten slotte klonk nog Wolfgang Rihm's Erscheinung voor negen strijkers en piano (1978) met als ondertitel Skizze über Schubert, tijdsduur 14 minuten. Cijfert Schnebel zichzelf in zijn wat bizarre instrumentatie niet geheel weg, Rihms schetsen bieden nauwelijks nog een plaats aan Schubert. Tussen de steeds dreigender klankblokken, logisch opgebouwd vanuit een lang unisono, klinken Schubertiaanse begeleidingsfiguren schimmig, als een romantische openbaring van het onzichtbare. In zijn totaliteit vind ik Erscheinung toch niet zo sterk (alweer: hoe mooi ook gespeeld), maar die momenten zijn treffend. Evenals het stokkende naspel in de pianosolo, onbegrijpelijk dat de piano als ad libitum staat aangegeven! Het was afgelopen zaterdag wel de matinee van de momenten.