Lulijzer

De arme Jef Rademakers mocht vorige week op televisie uitleggen wat er nu precies gebeurd is met Medialand, het programma dat de AVRO bij hem bestelde maar bij nader inzien NIET geschikt voor uitzending achtte. Ja, er was de nodige kritiek geweest op de proefuitzending, gaf Rademakers toe, maar verder had hij bij de AVRO-leiding toch een "positieve grondhouding' bespeurd.

Als er binnenkort een boekje verschijnt over "de taal van de televisieproducent', en gezien de recente hausse in boekjes over groepstalen is dat niet onwaarschijnlijk, dan vrees ik dat we daar straks onder de P het volgende lemma in zullen aantreffen:

“Positieve grondhouding, typisch Hilversumse uitdrukking voor welwillende instelling, bijvoorbeeld ten opzichte van een programma-idee”, gevolgd door het citaat van Rademakers.

De grootste fout die de samenstellers van dit soort boekjes maken is namelijk dat ze hun materiaal niet goed zeven.

In Asos's, bigi's en crimi's,' een inventaris van de taal der jongeren, zijn bijvoorbeeld ook woorden als "brommer' en "huiswerk' opgenomen. "Later', 'rijk', "willen' en "worden' staan er daarentegen weer niet in, terwijl de meeste jongeren die ik ken dat toch zeggen te willen.

Het eerste Nederlandse Studenten Woordenboek, dat onlangs verscheen, lijdt aan hetzelfde euvel. Onder de W vinden we bijvoorbeeld het woord "wateren' en onder de L "lustrum'. Is dat studententaal? De denkfout: als een student met een verkoudheid onder de trein komt zijn "verkoudheid' en "trein' studententaal.

Jef Rademakers gebruikt de term "positieve grondhouding', maar hij heeft hem van Lubbers, die de hongerige pers wel vaker van dat soort cryptische kluifjes toewerpt om te zorgen dat ze zijn broekspijp loslaten. Is het dan politieke taal? Nee, want kennelijk gebruiken televisie-producenten hem ook, en misschien is hij inmiddels wel pasmunt voor iedereen die liever niet zegt wat hij denkt. Hooguit zou je kunnen beweren dat het hier om eigentijds Nederlands gaat, oftewel Hedenlands.

Een studentenleven heeft twee kanten: enerzijds een intensief onderling contact met soortgenoten, anderzijds een eerste verkenning van de wereld buiten het beschermde kringetje van school en gezin waarin ze zijn opgegroeid. Daar, in de Grote Wereld, doen ze allerlei plaatselijke uitdrukkingen op waar ze onder elkaar een beetje interessant mee gaan doen. Het resultaat is een mengsel van typisch studenten-jargon en een ratjetoe van opgepikt slang. Als een student "lulijzer' tegen microfoon zegt, zijn er verschillende mogelijkheden. Hij zei het altijd al (een vroege popi invloed), hij heeft het ergens in de Grote Wereld opgedaan of hij praat studievrienden na. In het laatste geval zou het om typische studententaal kunnen gaan (In zijn dies-rede van 1948 liet jonkheer Diederick van Oldenborg Panhuijsen het zich, toen de microfoon uitviel, tot grote hilariteit van de zaal ontvallen), maar zelfs dàn: zodra zo'n woord ook in niet-academische milieus in gebruik raakt, rijst de vraag of het dan nog wel studententaal is. "Kof', (koffie), "kopietjes trekken', "koplampen' (borsten), alleen al onder de letter K wemelt het in het Studentenwoordenboek van de dubieuze vermeldingen.

Misschien wel de grootste handicap van de socio-linguistiek is dat taalgebruik nu eenmaal nooit exact te lokaliseren valt, maar met het klakkeloos toeschrijven aan toevallige gebruikers schiet je helemaal niets op. Nagaan waar een woord of frase vandaan komt is niet eenvoudig, en als de samenstellers van het Studentenwoordenboek al hun duizend lemma's getoetst hadden zoals het ene voorbeeld hierboven, was het pas over tien jaar verschenen. En niet bij uitgeverij Novella, die een naam hoog heeft te houden met het inhaken op ideeën van anderen. ("Treeplankrijden', hoorde ik een uitgever dat ooit noemen.)

Van nauwkeurigheid kunnen de samenstellers van het Studentenwoordenboek ook niet beschuldigd worden. "Gleufdier', het bekende corps-derogatief voor meisje, is wel opgenomen (kandidaten voor de Hoge Raad opgepast!), terwijl het mannelijk equivalent "paaldier' ontbreekt.

En het grappige aan het woord "koning' is nu juist dat het niet alleen zelfstandig gebruikt wordt, voor "vriend' of "een hele vent', maar ook bijwoordelijk.

“Hoe vind je m'n nieuwe broek?” “Hij zit koning!”

    • Jan Kuitenbrouwer