Homeopathische produkten zijn moeilijk te definiëren

AMSTELVEEN, 21 OKT. Staatssecretaris Simons heeft de Ziekenfondsraad vorig jaar advies gevraagd over het al dan niet vergoeden van homeopathische en antroposofische middelen, omdat voor de niet-alternatieve medicijnen het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) is ingevoerd. Hierin zijn preparaten in clusters ingedeeld waarbij steeds voor één middel een ijkprijs geldt. Voor medicijnen die duurder zijn moet de patiënt het verschil bijbetalen.

De regeling geldt sinds 1 juli, maar homeopathische en antroposofische middelen zijn van die regeling vrijgesteld. Dit terwijl de werkzaamheid van deze preparaten, anders dan die van de gewone geregistreerde middelen, nooit is aangetoond. Vooral de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) heeft tegen die bevoorrechte positie ernstig bezwaar gemaakt. De ziekenfondsen, verenigd in de VNZ hebben het ministerie deze zomer laten weten, dat “het al treurig genoeg is dat deze middelen niet zijn te toetsen op kwaliteit, maar dat zij niet zijn te toetsen op prijs- en kwaliteitsniveau is niet acceptabel.”

De VNZ stelt daarom voor uit te gaan van de kosten van de bestanddelen: voor het flesje zou 75 cent mogen worden gerekend, voor de alcohol 50 cent, voor het etiket een kwartje en voor de grondstof één cent. Daarbij opgeteld de produktiekosten, zouden homeopathische en antroposofische middelen niet meer dan vier gulden mogen kosten en aldus moeten worden ingedeeld in het GVS. “Een zinniger indeling is niet denkbaar”, aldus de VNZ. Ook de Ziekenfondsraad legt die overweging voor aan de staatssecretaris.

Op dit ogenblik “kan alles worden verstrekt, als het etiket op de verpakking het produkt als homeopathisch of antroposofisch kenmerkt”, zegt het advies. De staatssecretaris “acht uit een oogpunt van volksgezondheidsbelang en deregulering de registratie van homeopathische en antroposofische geneesmiddelen in ons land niet nodig.” Om toch tot een zekere definiëring van homeopathische produkten te komen wordt nu gebruik gemaakt van het "Deutsche Homöopatisches Arzneibuch, Amtliche Ausgabe 1978'. Dat werk heeft in Duitsland een wettelijke status. In Nederland hebben de homeopaten geen eigen "farmacopee' die wettelijk erkend is. Het enige standaardwerk op dat punt dateert van 1913.

Wil een geneesmiddel in aanmerking komen voor officiële registratie dan moet de fabrikant een dossier overleggen waaruit onder andere de werkzaamheid en de schadelijkheid blijken. Bij homeopathische middelen is zoiets niet mogelijk omdat bij de studies geen reacties kunnen worden vergeleken tussen patiënten die het middel krijgen en anderen die een fopmiddel (placebo) innemen. Binnen de homeopathische leer wordt er immers van uitgegaan dat klachten te maken hebben met verscheidene particuliere "eigenaardigheden' van de patiënt. Bij antroposofie is dat al evenmin mogelijk.

“Antroposofische artsen stellen dat de invloed op het genezingsproces van het subject en van de medicatie synenergetisch werkt.” Voor de definiëring van antroposofische produkten wordt ook het Duitse homeopathische standaardwerk gebruikt.