Een barbaars paard voor Marcus Aurelius

De marmeren sokkel van Michelangelo in het midden van het Piazza del Campidoglio op het Capitool in Rome staat nu al tien jaar te wachten op de terugkeer van het bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Het beroemde, achttien eeuwen oude beeld was zwaar aangetast door corrosie en zure regen en werd al die jaren - met een tussenpauze wegens geldgebrek - in het Instituto Centrale per il Restauro gerestaureerd.

Het beeld is door de eeuwen heen zo broos en de huid op sommige plaatsen zo flinterdun geworden, dat Romeinse deskundigen blootstelling aan de buitenlucht veel te riskant vinden en vrezen dat het beeld onder zijn eigen gewicht bezwijkt. Maar de Italiaanse politici denken daar anders over: zo'n beroemd beeld, nota bene een van de symbolen van Rome, wegstoppen in een museum, dat zou ondenkbaar, zelfs beledigend zijn. Intussen staan paard en ruiter nog steeds veilig binnen, op vijftig meter afstand van de lege sokkel.

Toen de Limburgse beeldhouwer Arthur Spronken (61), vermaard om zijn forse beenloze paarden-beelden, begin jaren tachtig las dat het paard van Marcus Aurelius - zoals hij het noemt - ernstig ziek was opgenomen, kwam hij op een idee. Waarom zou hij niet een herschepping van dit beeld maken en die aanbieden aan de stad Rome? Hij ging aan de slag: met gouverneur Kremers, minister Brinkman van WVC, bronsgieter Pie Sijen en niet in de laatste plaats met Romeinse bestuurders, restauratoren en wetenschappers.

De Stichting Marcus Aurelius werd in de paardestal van Spronken (de kunstenaar bezit ruim twintig paarden) opgericht en langzaam maar zeker werd in Limburg een gedeelte van het beeld herschapen. Inmiddels zijn hoofd en hals van het paard klaar en gepolijst. Alles bij elkaar opgeteld heeft Spronken er twee jaar aan gewerkt. Begin volgende maand brengt hij zijn schepping per paardentrailer - kan het toepasselijker? - naar Rome voor een kleine expositie. Daar zal het met een takel van zes meter (want zo hoog is het beeld) boven de sokkel worden gehangen.

Kunnen die Romeinen eens met eigen ogen zien dat hij niet de eerste de beste buitenlandse prutser is. “En dan zullen ze ook met een ja of nee moeten komen. Dat kan twee weken duren, maar ook maanden. De officiële molens malen daar zeer langzaam. Toen ik hiermee in 1983 begon, ging alles nog vlot. Maar inmiddels zijn we twee burgemeesters verder en is er nog geen beslissing genomen. Ik denk dat die Italianen ons nog steeds voor barbaren aanzien: ze zijn bijzonder chauvinistisch. Hoewel het in mijn geval misschien nog meevalt, omdat ik in Italië heb gestudeerd. Toch vrees ik dat ze mijn herschepping afwijzen. Tja, dan houdt het op.” Spronken zegt het laconiek. “Het beeld van Marcus Aurelius komt voor mij op de derde of vierde plaats van de paarden-beelden die ik ken. Toen ik als 24-jarige in Rome studeerde, heb ik er twee dagen onder gezeten. Het heeft een enorme straalkracht. Het slorpt je op. Als paardenkenner zie je dat dit beeld van de hoogste graad is, het is duidelijk een hogeschoolpaard. De spankracht die in de hals zit is waanzinnig en er zitten duizenden details in verborgen. De aderen onder de huid: je ziet ze niet, maar je voelt ze overal, ongelooflijk. Ongeveer een centimeter voor de ader voel je de huid al omhoog gaan. Zelfs het verhemelte, wat je ook niet ziet, is als een wasbord geboetseerd. Als je oppervlakkig kijkt, doet het beeld vrij simpel aan, maar er zit heel veel zweet in dat je niet ruikt.

“De geestkracht die het uitstraalt heeft ook iets triests. Mijn beeld is frisser. Dat trieste vind ik mooier. De verticale werking van regen heeft het volgens mij zo gemaakt. Achttienhonderd jaar neerslag kun je niet boetseren. De beide beelden zijn dan ook letterlijk tweeduizend jaar en tweeduizend kilometer van elkaar verwijderd.

“De natuur breekt alles op een schitterende, intrigerende en verfijnde manier af. Daarom zijn de Griekse beelden ook zo mooi: armen en benen zijn eraf, wat je overhoudt zijn prachtige torsen. Daar kun je wat mee, je fantasie gaat werken. Zoals Michelangelo al zei: een goed beeld moet je de berg af kunnen rollen en wat er dan beneden ligt, dát is het beeld.”

    • Simone Stevens