Wat in de plaats

Toen ik hoorde dat er in Amsterdam bij Sloterdijk een gebouw van "ruim tweehonderd meter hoog' zou worden gebouwd, dacht ik: dat is in orde. Ik heb de moderne Slotergebieden zien groeien, het prutswerk in baksteen, het benauwde gestapel, en ik was er al van overtuigd dat het daar nooit meer goed zou komen, maar toen kwam opeens de Larmag-toren. Die geeft weer hoop. Waarom? Laten we eens kijken naar andere hoogbouw nu, en in vroeger tijden.

Wie met de trein over het Viaduct in Rotterdam zuidwaarts rijdt, ziet links tussen het Centraal Station en de Maasbrug een wit robuust gebouw van acht of negen étages, het hangt ervan af of je de zolder meetelt. Dat is het beroemde Witte Huis, gebouwd in 1898. In die tijd bestond de omgeving uit oude laagbouw tot de Duitsers het nog veel lager hebben gemaakt. In de oorlog - winter, mist, het centrum een verlaten vlakte - was het Witte Huis een baken van vroeger, gehavend, niet verwoest, onverwoestbaar. Ga er nu kijken. Het is kleiner geworden omdat er zoveel in de buurt staat dat hoger is, maar het heeft nog dezelfde allure: niet omver te duwen.

Wat hebben de mensen in 1898 gezegd, toen de plannen bekend werden? Sommigen zullen zich bij voorbaat hebben overgegeven aan hun trots als stedeling; conservatieve estheten (alle estheten zijn conservatief) hieven hun gejammer aan. Sinds lang verstomd. Dank zij de publicaties van Joris Boddaert (*) weten we nu dat de architect van het Witte Huis een Amerikaans voorbeeld had. Dat is historisch interessant maar voor de aanblik van vandaag van geen belang. Is het Witte Huis mooi? Lelijk? Het staat er en dat is voldoende.

Jaren geleden heb ik me opgewonden over de "kantoorvilla's' van Van Gool aan de Weteringschans in Amsterdam. Piet Grijs haalde z'n schouders op: ""Over een paar jaar merk je er niets meer van, dan staan ze er gewoon.'' Daar had hij gelijk in, maar zoals dr. L. de Jong zegt: Er is meer. Ik zie die twee "villa's' - wie heeft de naam verzonnen - bijna iedere dag, en ik vind ze mooi, in ieder jaargetijde. Ze hebben iets wat de omgeving mist: een brutale stevigheid. Ze hebben niets coulissen-achtigs, niets van namaak en daarom kijk ik er iedere dag met plezier naar. Waarom heb ik me in de krant toen zo opgewonden? Daar heb ik nu spijt van.

Gaat u met de trein naar Rotterdam, kijk dan na het passeren van Schiedam uit het linker raam. De trein maakt een flauwe bocht waardoor u even de blik wordt gegund op het complex van zeer hoge gebouwen dat daar nu bijna is voltooid. Gaat u met de pont van Staten Island naar Manhattan, Battery Park, dan ziet u iets wat nog altijd grote gelijkenis heeft met wat de landverhuizers per schip een jaar of zestig, zeventig geleden zagen: de Skyline van New York. Ik wil niet zeggen dat wie in de trein naar Rotterdam zit, door dezelfde gevoelens wordt bevangen als degene die toen aan de railing van zo'n roestige emigrantenboot stond. Het gaat om het principe: afscheid van de bangigheid, het bedrangde. Wie het mooi en verstandig beschreven wil zien, moet het boek van Rem Koolhaas over Manhatten lezen.

Hoogbouw trekt hoogbouw aan. Dat heeft zijn bezwaren. Manhattan heeft twee wolkenkrabbergebieden: Midtown en Downtown, het financiele district met de Woolworth Building uit 1913 en de twee torens van het Wereld Handels Centrum voltooid in 1977. 's Avonds en in de weekeinden is het er stil wat des te sterker opvalt omdat je er door torens wordt omgeven en bij wijze van spreken in een kloof loopt. Ruimtevrees werkt niet alleen horizontaal en hoogtevrees niet alleen als je naar beneden kijkt. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die zondags in de buurt van Wall Street zich niet helemaal op hun gemak voelen. Maar is Sloterdijk in zijn tegenwoordige toestand dan zoveel leuker? Waar wilt u op zondagochtend liever wandelen: in Wall Street of op de Haarlemmerweg?

Wat is er eigenlijk tegen die Larmagtoren? Ik citeer de heer Roel de Wit, een passage uit zijn artikel in de Volkskrant van 18 oktober. (Hij is voorzitter van de Raad van advies voor de ruimtelijke ordening van de Rijkscommissie voor de monumenten, en, tot eind maart 1992, commissaris van de Koningin in Noord Holland.) ""Super-hoogbouw zoals de wolkenkrabber bij Sloterdijk doet het open gebied rond de steden visueel ineenschrompelen en tast daarmee op essentiële wijze de hoofdopzet van de ruimtelijke ordening in ons land aan, te weten een duidelijke scheiding tussen verstedelijkt en niet-verstedelijkt gebied,'' aldus de Commissaris.

Ik draag de heer De Wit geen vijandige gevoelens toe. Anders zou ik zeggen: je moet maar durven! Het vraagstuk, liever gezegd, de ramp van de Randstad is dat onze ruimtelijke ordenaars de afgelopen halve eeuw nog niet het begin hebben gezien van een onderscheid tussen "verstedelijkt' en "niet-verstedelijkt' gebied. De hele Zaanstreek is - vanouds, dat weet ik - één groot, in elkaar gesmeten gebied van huizen, huisjes, fabrieken en overheidsgebouwen die door toedoen van blinde planners soms ook nog op de verkeerde plaats terecht zijn gekomen. Zo staat het riante gemeentehuis van Zaanstad aan de rand van een buitenwijk, praktisch tussen de koeien. De hele uitbreiding van Amsterdam naar het Westen hangt, met uitzondering van de omgeving Sloterplas, van armzalig gepruts aanelkaar. De droefheid van die straatjes, laantjes, perkjes en voetbalterreintjes valt hoogstens nog te beschouwen als vruchtbare omgeving voor een talent dat een eigentijds vervolg op De Avonden wil schrijven. Vinden we trouwens niet dat de Westertoren wat hoog boven de Jordaan uitsteekt?

Laat ik maar ophouden over dit bewaren van de "duidelijke scheiding tussen verstedelijkt en niet-verstedelijkt gebied.' Tussen Alkmaar en Dordrecht weet je nooit welke droefgeestige halve stad, halve buitenwijk je nu weer "genaderd' bent nadat je ogen zich van de vorige hebben bevrijd. De ramp waarvan ik repte is juist dat de ordenaars nooit hebben durven kiezen, maar altijd zijn uitgekomen op het compromis van de lucifersdoos die, zoals men weet, drie mogelijkheden kent om hem neer te zetten. Daardoor zijn die woestijnen van middelmatigheid in de Randstad ontstaan. Ze bieden een dak boven het hoofd en voor de rest is hun enige functie dat ze de het geweten van de ordenaars niet bezwaren: er is weer niets gedurfd.

Kortom, het lijkt me een goed idee, die Larmag-toren zo vlug mogelijk te bouwen. Wie weet zal dan voor het nageslacht Amsterdam nog iets hebben dat de Skyline van New York voor de emigranten heeft gehad: de boodschap dat je daar niet noodlottig op je vingers werd gekeken als je iets van plan was dat verder ging dan de verbeeldingskracht van de middelmatigheid.

* Joris Boddaert, Roterodamum, Architectuur van vroeger in het Rotterdam van nu. Boddaert Produkties, 1991.

    • S. Montag