Stedenbouwkundige Olsen jaagt gehoor graag op de kast; "Architecten kunnen alleen nog maar modern aan'

AMSTERDAM, 19 OKT. “In Rotterdam wordt een halve eeuw aan architectuurgeschiedenis en stadsplanning verloochend.” “Veel hedendaagse opleidingen leveren architecten af als Chinese vrouwen: met gebonden voetjes.” De befaamde Amerikaanse cultuurhistoricus en stedenexpert Donald Olsen maakt deze week een lezingen- en discussietoernee door Nederland, en hij schroomt niet zijn gehoor regelmatig op de kast te jagen. Maar na afloop, in zijn hotel, is hij als eerste bereid zijn uitspraken te relativeren. Olsen: “Toen ik voor de eerste keer in Rotterdam kwam, in 1953, was de stad een verademing na wat ik aan grauwheid in de nieuw opgebouwde Engelse steden had gezien. Rotterdam legde toen een nieuwe standaard op, gedreven door ontwerpers die overduidelijk van hun stad en van mensen hielden. Maar toen ik in 1988 terugkwam was het nieuwe, verrassende weg. Wat toen fris en opwindend was, is er te vaak geïmiteerd en herhaald.”

Donald Olsen dankt zijn bekendheid vooral aan zijn boek "De stad als kunstwerk', waarin hij het negentiende-eeuwse Londen, Parijs en Wenen met elkaar vergelijkt. Zijn boek is echter meer dan een simpele beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van Regent Street, de boulevards van Haussmann en de Weense Ringstrasse. Olsen gebruikt deze herinrichting van de stad en alle details en ornamenten die daarbij horen als een bron van informatie over de mentaliteit van de negentiende eeuw en de desbetreffende stadsbewoners in het bijzonder. Olsen: “Iedereen denkt altijd dat iets moderns ook altijd het beste is. Maar iedere tijd heeft zijn eigen meetlat. In het licht van de hoogste standaarden - bij voorbeeld het zeventiende-eeuwse Amsterdam, het achttiende eeuwse Bath - zijn de negentiende eeuwse steden, zelfs op zijn best, mislukkingen. Maar vergeleken met de rampen van de twintigste eeuw - u mag zelf de voorbeelden invullen - zien de Ringstrasse van Wenen, het Paris van het tweede Keizerrijk en zelfs het Victoriaanse Londen er heel wat beter uit.”

De slooppartijen in de oude binnensteden in de jaren zestig vormden volgens Olsen het hoogtepunt van deze aanbidding van het moderne. Rotterdam had geen keuze, de stad was kapot, maar in andere steden was het volgens hem dikwijls een vorm van “misdadige cultuurvernietiging”, gebaseerd op “de illusie dat wij in deze tijd alles het beste kunnen, ook steden bouwen en plannen.” Olsen: “Architecten zijn stijlgebonden, net als de voetjes van Chinese vrouwen. Als student worden ze niet meer geschoold in de technieken die nodig zijn om in oudere stijlen te bouwen, zodat ze alleen al om technische redenen niet meer in staat zijn om voor andere stijlen dan de moderne te kiezen.”

In een inleiding die hij woensdagavond in De Balie hield zette Donald Olsen zich sterk af tegen klassieke opvatting dat de negentiende-eeuwse stad het produkt was van de Industriële revolutie en in zijn vorm en karakter het belang van de nieuwe, machtige middenklasse weerspiegelde. “In Londen sloot de burgerij zich op in hun huizen, Parijs werd zo gebouwd dat de burgerij over de straten kon flaneren, in Londen bleef een scherpe scheiding tussen wonen en werken bestaan, terwijl de Parijse boulevard juist zo'n succes was omdat daar wonen, werken, rangen en standen voortdurend vermengd werden. Ik wil maar zeggen: een stad kan niet zomaar onder die ene mal van 'Industriële Stad' gelegd worden, iedere stad moet apart onderzocht worden.”

In zijn hotel praat hij verder over zijn theorieën, maar dan toegespitst op Amsterdam. Volgens Olsen is Amsterdam een stad waaraan zowel de grandeur van het achttiende eeuwse absolutisme als de grote doorbraken van de negentiende eeuw voorbij zijn gegaan. En ook het postmodernisme van vandaag lijkt min of meer aan de hoofdstad voorbij te gaan. “Amsterdam was zelfs volgens de normen van de zeventiende eeuw het tegendeel van een moderne stad: tradioneel, gericht op burgers inplaats van een aristocratie, kortom, een typisch middeleeuwse stad. Het bekende Amsterdamse grachtenhuis is een weinig anders dan een aangepast middeleeuws huis, het gebruik van bakstenen inplaats van stucwerk waarmee de individualiteit van elke steen wordt benadrukt is een directe voortzetting van de neo-gotische standaard.”

Ook de grachtengordel is volgens Olsen - in tegenstelling tot de gangbare opinie - niet het produkt van de ambitieuze opvattingen van de zeventiende-eeuwse bovenlaag op het gebied van stadsplanning, maar het resultaat van een aantal min of meer toevallige economische en demografische noodzakelijkheden. Olsen: “Uit archiefonderzoek blijkt dat er helemaal niet zoveel visie achter de wereldberoemde, unieke grachten zat. Ze vormden in de eerste plaats een praktische oplossing. De Amsterdammers hebben alleen door de eeuwen heen met een bewonderenswaardige eigenzinnigheid het bijzondere van hun stad weten vast te houden, en daar gaan ze tot de dag van vandaag mee door. Dat is een prestatie waar we hen eeuwig dankbaar voor kunnen zijn, want zolangzamerhand bewaken ze zo een schatkamer voor heel Europa.”

Onleefbaar hoeft zo'n semi-middeleeuwse stad ook in de toekomstige eeuwen absoluut niet te zijn. Integendeel. Olsen: “Een stad is bijna nooit gebouwd voor de mensen die er wonen. We leven bijna allemaal in de steden van onze voorvaders.” Met de IJ-oeverplannen heeft hij, voorzover hij ze gezien heeft, echter weinig moeite: “Amsterdam is geen museum en bovendien heeft het IJ in Amsterdam niet de centrale rol die bijvoorbeeld de Seine in Parijs speelt.” Het gaat hem vooral om de permante mentaliteit die achter de ontwikkeling van een stad steekt. Een stad is immers, zo zegt hij, zowel een produkt van de geschiedenis als van iets dat boven de geschiedenis uitgaat, en dat geldt zeker voor Amsterdam. Donald Olsen: “Zoals bepaalde morele principes en literaire inzichten de tijd weerspiegelen waarin ze verwoord zijn, en daar tegelijk bovenuit stijgen, zo dient het zeventiende-eeuwse Amsterdam zelfs in de twintigste eeuw nog al die mensen, die er met zoveel plezier wonen.”

    • Geert Mak