Parlementaire vuist

Het debat over de begroting van de Tweede Kamer leek in het begin van de week nog een principieel interessante krachtmeting te worden. In de ring stonden Kamervoorzitter Deetman en minister van binnenlandse zaken Dales tegenover elkaar. De eerste wilde voor het begrotingsjaar 1992 een ruimere financiële tegemoetkoming van de regering om meer personeel in dienst te kunnen nemen en om de kosten van het openingsfeest voor het nieuwe Kamergebouw te bestrijden. De laatste stelde zich op het standpunt dat de Kamer al genoeg had gekregen en met de verlangde extra vijf miljoen overvroeg. De minister ging nog niet zover de Kamer de les te lezen, maar haar motivering kwam er wel op neer dat zij van de Kamer enige zelfbeperking mocht vragen. Geen van beiden was in de eerste termijn bereid toe te geven noch van plan zich van zijn-haar stuk te laten brengen. Deetman weigerde zich te schikken omdat hij een afwijzing door de minister (die het begrotingsgeld fourneert zonder op de bestemming invloed te hebben) als een beknotting van de parlementaire onafhankelijkheid beschouwde, Dales weigerde over de brug te komen omdat zij vond dat de Kamer zich met een begroting van 103 miljoen moest kunnen bedruipen.

Hoewel de minister door het beheer van de zilveren koorden het overwicht had, was haar positie enigszins hachelijk. Ze moest de autonomie van de Tweede Kamer - een van de regering onafhankelijk staatsorgaan - respecteren maar ook de hand op de knip houden. Het stond bij voorbaat vast dat ze niet tegelijk het ene en het andere kon doen. Maar wat ze ook wilde, de gangbare oplossing van de kool en de geit kon hier niet helpen. Ze moest hom of kuit geven. In zo'n situatie wil een beetje onderhandelen nog wel eens uitkomst bieden, maar in dit geval had Deetman al in een vroeg stadium te verstaan gegeven dat de Kamer van geen wijken wist en op haar strepen zou blijven staan. Een wijze minister benadert zo'n houding van de "tegenpartij' (een orgaan dat ook mede-wetgever is) met de nodige diplomatie en doet er verstandig aan bijtijds water in de wijn te doen. Maar wat, als de minister van mening is dat het die tegenpartij aan de nodige wijsheid ontbreekt? Dan heeft zij de (morele en intellectuele) plicht die tegenpartij tot beter inzicht te brengen. Ze moet in elk geval voor haar betere inzicht opkomen.

Natuurlijk wist de minister van binnenlandse zaken de stok van de minister van financiën achter de deur, maar die hoefde in dit geval helemaal geen rol te spelen. Ze had genoeg principiële staatkundige argumenten tot haar beschikking en met die argumenten had ze het debat moeten voeren - als ze het had willen winnen. Een argument was geweest dat de Tweede Kamer al genoeg personeel (c.q. assistentie, persoonlijke medewerkers van de Kamerleden) heeft. Een relevanter argument voor het standpunt van de minister is dat de Tweede Kamer niet beter gaat functioneren (het motief van Deetman) door de persoonlijke "bewerktuiging' van de Kamerleden en de staven van de fracties almaar uit te breiden.

Vijfentwintig jaar geleden was de roep om meer persoonlijke assistentie volkomen gerechtvaardigd. Van enige bewerktuiging was toen nog nauwelijks sprake. De Kamerleden moesten elke brief nog eigenhandig tikken, elke kiezer en lobbyist die hen wilde spreken nog persoonlijk te woord staan en de gegevens die ze nodig hadden om de regering te controleren zelf opsporen. De machtsverhouding tussen de regering - met haar machtige kennisapparaat - en de Kamer - die nauwelijks een vuist kon maken - was volkomen scheefgegroeid en het was niet meer dan redelijk dat de regering de Kamer de middelen ter beschikking stelde om die achterstand naar vermogen in te halen. Maar het is nooit de bedoeling geweest dat die compensatoire ontwikkeling een kwart eeuw later de vorm van een konijnenplaag zou aannemen.

Intussen is de parlementaire assistentie (met de bijbehorende nieuwe koninkrijken) zo uitgedijd dat het oude Binnenhof door die ontwikkeling bijkans uit zijn voegen is gegroeid - zonder dat de kracht van het parlement evenredig is toegenomen. Integendeel, de toeneming van (wetenschappelijke) assistentie heeft een toeneming van parlementaire specialisatie tot gevolg gehad, maar geen sterker parlement. Oud-Kamervoorzitter Dolman, die nu lid van de Raad van State is, heeft in een afscheidsinterview op de schaduwkanten van die ontwikkeling gewezen en de Tweede Kamer met een mierenkolonie vergeleken (en in dat verband het woord "mierparlement' geïntroduceerd).

Dolman is niet de enige (ex-)parlementariër die de gevaren van een ongeremde specialisatie heeft onderkend. In de Tweede Kamerfractie van de PvdA wordt dat probleem al volmondig toegegeven. Het Kamerlid dr. F. Leijnse, vice-voorzitter van de PvdA-fractie, heeft in het tijdschrijft Namens zojuist een fundamentele beschouwing over de afnemende effectiviteit van het parlement geschreven, waarin hij van het standpunt-Deetman (meer bewerktuiging is meer macht) welbeschouwd niets heel laat. Leijnse stelt daarin de vraag aan de orde of de uitbreiding en de professionalisering van de parlementaire arbeid wel zo effectief en heilzaam zijn geweest als de voorstanders van uitbreiding altijd hebben betoogd.

Leijnse verpakt zijn kritische opmerkingen weliswaar in ingetogen formuleringen maar de strekking van zijn betoog is niet voor misverstand vatbaar. Na de ontwikkeling van de laatste vijfentwintig jaar aan zich voorbij te hebben laten trekken, concludeert hij onbewimpeld dat het parlement er sinds de dagen waarop het alles nog op eigen kracht moest doen niet beter voor is komen te staan. “In bange momenten denk ik zelfs weleens dat de overspecialisatie, bureaucratische detailleringsdrang en beperkte selectie geleid hebben tot een minder effectieve volksvertegenwoordiging. Alle extra inspanning en uitgaven hebben dan een averechts effect gehad”. In zijn eerlijkheid (of mismoedigheid) maakt Leijnse zelfs een toespeling op zijn voorkeur voor een kleinere Tweede Kamer - met vrijwel hetzelfde argument dat ik jaren geleden ook al eens naar voren heb gebracht (in het maandblad Socialisme en Democratie, jaargang 1975, waarop een jaar later in hetzelfde blad een verhitte discussie volgde met de toenmalige, intussen van het toneel verdwenen parlementaire generatie). Een Kamer van honderd leden in plaats van honderdvijftig: meer macht geconcentreerd bij minder Kamerleden, naar analogie van de Amerikaanse Senaat.

Als de minister van binnenlandse zaken deze argumenten of zelfs maar een deel daarvan in de strijd had geworpen, had zij het pleit in haar voordeel kunnen beslechten. Maar Dales verdedigde haar zaak slecht. Ze had de Kamer met haar eigen wapens kunnen bestrijden, maar ze zag er kennelijk geen brood meer in nadat Deetman in een geslaagd theaterstukje zijn tanden had laten zien. In tweede termijn kwam ze de Kamer op de belangrijkste punten tegemoet. Roemloos ging ze door de knieën, klaarblijkelijk zonder het stuk van Leijnse te hebben gelezen.

    • H.A. van Wijnen