Opkomst en neergang van de Leidse textielindustrie

Stof uit het Leidse verleden; zeven eeuwen textielnijverheid auteur: J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries (redactie). Uitgeverij: Matrijs, 1991. 227 blz. prijs ƒ 34,95. ISBN 90 5345 005

Leiden was in de Gouden Eeuw de grootste textielproducent in Europa en het belangrijkste centrum van nijverheid in Nederland. Het merendeel van de 70.000 inwoners werkte toen in de textiel. Onder hen bevonden zich vachtenploters, wolscheiders, kaarders, spinners, wevers, vollers, ververs en nog tal van andere ambachtslieden. Het vereiste nogal wat om de produktie in goede banen te leiden. De produktorganisatie was dan ook een van de sterke punten van de Leidse textielondernemers. Lang voor Adam Smith zijn licht erover liet schijnen, kende de Leidse drapeniers het principe van vergaande arbeidsdeling als middel tot verhoging van de efficiëntie van de produktie.

De ondernemers wisten goed in te spelen op de vraag van de consument. Leiden produceerde niet minder dan 158 soorten stoffen, met fraaie benamingen als armijnen, rosetten en monniksaaien. De diepe, glanzende en heldere kleuren van de Leidse stoffen waren wereldberoemd. Toen de concurrentie zich in het midden van de zeventiende eeuw verscherpte, gingen de Leidenaren zich geheel volgens de moderne economische denkbeelden richten op het duurdere segment van de markt. Wij hebben “door onze vrijheid te Leiden de neeringh van alle fijne laeckenen tot ons konnen trekken”, meldde een van de grootste textielondernemers in die tijd.

Het Leidse succes kwam niet uit de lucht vallen. Al in de dertiende eeuw had de Leidse wolnijverheid een groter afzetgebied dan de eigen omgeving. Tijdens de eerste bloeiperiode rondom het jaar 1500 was ze binnen Europa vermaard en vonden de stoffen hun weg over de hele wereld. Daarna trad een periode van verval in. Het waren uit Vlaanderen (Hondschoote) gevluchte saaiwevers die na 1577 in Leiden de "nieuwe draperie' introduceerden, waardoor Leiden Europa's voornaamste textielcentrum werd.

Na een neergang volgde in de negentiende eeuw opnieuw een bloeiperiode. Al stelde de Leidse textielindustrie toen internationaal weinig meer voor, voor de stad zelf bleef het de belangrijkste bron van werkgelegenheid. Na de Tweede Wereldoorlog raakte de Leidse textielindustrie definitief in verval. Eeuwenoude bedrijven als Zaalberg, Scheltema (dekens) en Krantz (o.a. legeruniformen) sloten de poorten. Thans is de Leidse textielindustrie volledig verdwenen. Wat rest zijn namen van straten, oude gebouwen en de herinnering.

Reden genoeg om een boek over zeven eeuwen textielnijverheid te schrijven, ware het niet dat er een reden is om enige voorzichtigheid te betrachten. Want de interessante geschiedenis ervan is reeds in drie kloeke delen beschreven door N.W. Posthumus, de grondlegger van de economische-sociale geschiedenis in ons land (De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie). Natuurlijk, Posthumus' werk verscheen tussen 1908 en 1939 en het argument om het als verouderd te bestempelen is dan snel gevonden. Toegegeven, sinds Posthumus heeft de ontwikkeling van het vak niet stil gestaan. Moderne denkbeelden en invalshoeken en recente bevindingen kunnen ook op de Leidse textielnijverheid nieuw licht werpen.

Het boek Stof uit het Leidse verleden is evenwel slechts een zwak aftreksel van Posthumus' levenswerk. Volgens goede wetenschappelijke traditie trekken sommige auteurs vermetel ten strijde tegen Posthumus, maar dat ontaardt al gauw in muggezifterij. In plaats van Posthumus' werk als inspiratiebron te gebruiken, gingen de meeste auteurs van de bijdragen in het boek onder de zware last ervan gebukt.

De verschillende perioden van de Leidse textielnijverheid worden steeds van een inleidend hoofdstuk voorzien, waarin vooral de oorzaken van opgang en neergang worden geschetst. Alleen Boudien de Vries slaagt in haar bijdrage over de Leidse textielnijverheid in de zeventiende en achttiende eeuw de vele aspecten van het Leidse succes op een aardige en inzichtelijke wijze samen te vatten. In de overige hoofdstukken worden enkele onderwerpen nader belicht. Zo is er een verhandeling over de Weversteeg te Leiden in de Middeleeuwen en een uiteenzetting over de financiële kanten van het familiebedrijf J.J. Krantz en zoon. Het zijn voorbeelden van gemillimeter in de geschiedschrijving en de vraag lijkt gewettigd of deze bijdragen niet beter in een vaktijdschrift hadden kunnen worden gepubliceerd. Omdat de auteurs hun bijdrage op hun beurt veelal van een inleiding voorzien, komen er nogal veel overlappingen voor, te meer omdat er ook nog eens een algemeen inleidend hoofdstuk in het boek is afgedrukt.

Boeiender en wezenlijker onderwerpen liggen voor het oprapen. Waarom is bij voorbeeld niet gekozen voor een beschrijving van de unieke organisatie van de Leidse textielnijverheid, de afhankelijkheid van het handelscentrum Amsterdam, de contacten met toeleveranciers uit bij voorbeeld Zaandam (de verfprodukten), onderwerpen die Boudien de Vries aanstipt. Waarom haalde men niet de krenten uit de pap van de vele door Posthumus aangedragen gegevens. Want al haalde hij veel overhoop, zijn aandacht voor de meest uiteenlopende aspecten is voornamelijk inspirerend.

Wat geldt voor de hoofdstukken over het pre-industriële Leiden, gaat eveneens op voor de beschouwingen over de Leidse textiel in later tijd. Ook daarin worden af en toe soms aardige en belangwekkende onderwerpen aangeroerd, om vervolgens al gauw op de gemakkelijkste weg te belanden waarop men soms ook nog hopeloos verdwaald. Zo rukt de Leidse hoogleraar Economische Geschiedenis H. de Vries in een warrig hoofdstuk het betoog over het industrialisatieproces in het baanbrekende werk van J.A. de Jonge (De industrialisatie van Nederland tussen 1850-1914) uit zijn verband en pleit vervolgens voor een herwaardering van de rol van de textielindustrie in de modernisering van de Nederlandse industrie. Naar mijn weten is die rol nooit ondergewaardeerd. G.C. Quispel behandelt in zijn bijdrage over de industrialisatie in Leiden slechts enkele factoren, waardoor een eenzijdig beeld ontstaat. Dat het rijke Leidse gemeentearchief ook voor deze periode zeer interessant materiaal bevat, blijkt uit het verhaal van C.B.A. Smit over de modernisering van de textielindustrie, waarin hij de adviezen van de Kamer van Koophandel aan het Fonds voor de Nationale Nijverheid aanhaalt. Zijn verhaal verzandt echter in een opsomming van tijdstippen van introductie van verschillende soorten machines. Op de vele problemen van zowel technische als organisatorische aard gaat hij eigenlijk niet in.

Tegenwoordig is het mode bij elk onderzoek te vermelden dat het maar een eerste aanzet betreft en dat nader onderzoek dringend gewenst is. Steeds vaker getuigen dergelijke zinsneden van wetenschappelijke lafheid en onvermogen. Van gemakzuchtige conclusies wemelt het in deze, overigens fraai uitgegeven, bundel. Zo wijt men elke neergang al gauw mede aan gebrek aan inventiviteit van ondernemers. Maar veelal is zo'n conclusie eerder aan het gebrek aan inventiviteit van de onderzoeker zelf te wijten.